127-
Florence, ik heb den moed van en voor-me־zelf vast te stellen wat anderen van me zeggen.
Er zijn die er naar hunkeren 't te hooren uit den mond van vrienden, vijanden of.... uit den lof der zotten. Ik bekommer mij om geen der drie soorten. —
Ik heb me aan me zelf geopenbaard en ik weet deel uit te maken van 't hoogste. —
Hoe weinig schepsels zijn er groot-machtig in fier zelfbewustzijn, dat nooit tot zelfvergoding kan leiden als je intens weèt hoe elk deeltje van individueele grootheid, produkt is van gemeenschappelijk bestaan, en zonder dat geen sterveling iets kon beteekenen. —
Er spreekt geen hoogmoed in mij als ik zeg kind, dat in mij leeft en zich uiten zal, het hoogste en geweldigste schoon dat ooit 'n menschenkind voelde, scheppend voelde ; dat alle sentimenten van innigheid, diepte, verlangen, teederheid, liefde, een centrum vinden in mijn zielekerk.
Ik ben opgegroeid in zonneglans, en m'n gesternte is van kristallen fonk'ling.
Ik vrees geen enkel mensch in den geest, en geen sterveling kan mijn gevoel, mijn leven, mijn waarnemen, mijn dramatiseeren, mijn psychologie en fantasmagorie, grooter, dieper en ontzaglijker zeggen dan ik-zelf.
Ik voel me doorstroomd, doorpassied en doorgloeid van het goddelijkst-menschelijke, en verhevenst-menschelijke.... En ik weet, dat al mijn uitingen in die opperste sentimenten gedrenkt staan. —
Niemand hoeft mij aan te moedigen om de ״aanmoediging" zelve, noch mij met lof te bestrooien of met schimp te begrin-neken, om mijn Ik daarmee te treffen.
Want niets is bij machte mij te raken.
Ik werk als een natuurwet, ik moét, zoo goed als 't razen van den donder, 't zeisen van den bliksem, 't zee-zwalpende stormgerucht en 't zingen van de vooglen.
Als men mij bewondert om mij welgevallig te zijn, en niet