126-
je dat ik jood ben van geslacht op geslacht. Weet je 't goéd kind ?
Jij Noorsche, ik Oosterling !
Wat 'n wonderlijk paar ! O ! O ! Florence, hoe vaak heb ik smart gehad om m'n jood-zijn !
Juist wijl ik er zooveel moois van doorleefde. — Maar dat •kan er nog niet uit.
Later ! Later !
Laat ik nu nog heel even met je samen zijn. — Liefste.. .. ben ik niet als 'n Fritjof.
Neen Noorsche, dat niet,.... maar ik heb z'n moed!
Ik voel me deel van 't hoogste....
En nu gaat de jood, die toch innerlijk in niets op 'n jood lijkt, je heel sterke dingen zeggen.
IJdel ?.... Zoolang nederigheid ijdelheid is, moet ijdelheid nederigheid zijn.
Ik voel me deel van 't hoogste, Florence !
Ik voel mij deel van 't heiligste, 't moedigste en zuiverste !
Florence stil! Ontstel niet ! Want jij, jij moet me verstaan, .als je m'n woorden maar in hun diepsten zin doorvoelt.
Ik, die dikwijls klein ben, onmachtig, ik voel me toch één met 't heiligste, schoonste en moedigste in 't leven, wijl ik de ,massa-ziel doordring, mijn Ik tast door 't licht van 't groote Al-leven. —
Menschenklein kind heb ik in m'n ziekte leeren kennen. —
Maar later, toen ik me zelf herwon, toen ik zeker was door die ziekte te sterven, ach liefste, toen zijn er wonderlijke en hoog-heilige dingen in me gebeurd. —
Niet waar Florence, jou mag ik alles zeggen ?
Wat voor anderen, nuchter verkoeld en met haatlijken wrevel verobjektiveerd, zelfvergoding lijkt, zal jij voelen in ־de zuiverste en hoogste geestesorde, waarin dat zelfbewust leven ook gevoeld is. — Want als één affekt er van versmon-•seld wordt in valsch vernuftspel, gaat de zuiverheid van de ■bedoeling ten onder.