123-
nachten om haar heen duisteren. En zoele boschgeuren haar om wuiven. —
Zij snikte, snikte.
— Ween niet meer, ween niet meer Ingeborg!
Kind, ben je 'n sage, 'n droom ? Blank wonderkind, ben je 'n visioen van verteedering ?
Ben je 'n vuur dat eeuwig brandt ? Ben je de Liefde van 't Noorden. Ben je 't vuur dat brandt, als de zon z'n gouden oceanen de hemelen laat uitvloeien en afruischen tot 'n bloed-roode pracht van vlammelicht, weerkaatsend op de droomrige spiegel-zee ?
— Ween niet meer minnend meisje, wachtende, minnende, ween niet meer !
Hij komt, Fritjof, hij komt ! Hij neemt je mee in z'n her-kuul-armen.
Ik voel 't;.... 'n Jood die alles voelt,.... ik zeg 't je.... blank wonderkindje, ik, 'n jood die de witte roos van de noorsche liefde ingegeurd heeft, als de bloedende donkere roos van 't Zuiden. —
— Ween niet, niet meer. Hij komt je halen.
.... Wil je niet mee ?
Zie toch Ingeborg, blanke roos van 't scheemerijle Noorden, zie toch hoe 't avondzonnevuur z'n hoofd en schouders al rood gaat omgloeien. -— Zie, hoe z'n prachtige herosgestalte op hoogen maatgang van machtigen wil aanstapt, al nadert, al nadert. Hoe ze groeit voor je oogen !
Is dat Fritjof niet, de worstelaar en held ?
Ik zeg 't je, blank minnaresje, ik, David, die alles voelt.
Zie z'n leeuwenhaar ruischen om z'n titanennek en schouders, zie z'n helmzilver flonkeren, als goud in den vurigen, dalenden zonnenevel.
Hij komt Ingeborg, sta öp en ween niet meer. —
Ik zie hem, ik sta op den hoogsten top, en staar over de bloedroode avondzee en 't zonnende land.
Zie, z'n zwaard in de hand. Hij heeft de steden in brand gelaaid ; hij heeft de daken omvuurd, de vijanden vermorzeld