121
Ik zie je weer in je op een ademgolf verritselende witte zijde, dat sneeuwig glansde, moireerde en vouwde 't licht, en je blanke handjes stil wonderen verwevend. —
Wat slankte je lichaam godinnig. — O ! ik wist dat je rank was als Venus, maar zoo'n taille....
Je stond er als 'n Iduna, in zachten lendewieg, die toove-rend en geheimvol om haar heen kringde in kaatsenden worp, de blozende jeugd-appeltjes. —
En 't ging als 'n licht spel met rood-zachten gloed.
Herinner je je Florence, hoe ik versteld stond van 'n zoo wonderslank, teeder meisjen, met den los gestorten gouden harenstroom, de fijne schaduwdoezel er in, en de zonnegoud-zijige glanzen er van om je hoofd en hals ? —
Waar vandaan lieve, haalde je toen die plotse pracht ?
Dat roode fijne koord om je hoofd, als 'n snoersel lichtend karmijn, enkele vlechten zacht omkransend.
O ! je aanbiddelijk gezichtsovaal! Toen zag ik 't in z'n ragste en teederste schoonheid !
Je voelde je zelf Iduna, en Gerda.
Nooit zag ik zoo'n heilige schoonheid op je gezicht, zoo schroom-zacht en zóó wonderblank.
Je wangen kleurden éven doorbloosd als 'n ademtochtje rose, en je oogen glansden in één-licht-van verlossing. En je wondre hoofd zoo rag geboetseerd van lijn, met den gouden lampgloed in fond gezet, en 't bleek-fijne lichtspel op je naakten hals en armen....
Ik was overstelpt van ontroering om zooveel moois, zooveel goddelijks. —
Mijn wondere meisjen.
II.
Toen, in 't heilige spel van de weefgebaren lachte je me even toe, om je te doen herkennen ! Niet Florence, niet liefste, liefste ?
Je slanke naakte armen, met de hooge schoudercierselen en