ii5
Ik had 'r kunnen kussen, lang, heel lang, maar ik kon zelfs geen vinger verroeren.
Ik werd door twee kruiers uit de koupé gesjouwd en in 'n lammewagen, 'n soort drenkelingsbrankard, overgebracht.
Liefste, liefste, wat er toen in me omging, stom zonder klacht, 't valt niet te zeggen.
'n Week voor deze gebeurtenis had ik in m'n vermeende volle kracht, hier uren heen en weer geloopen, wijl ik 'n station altijn 'n prachtig ontmoetingspunt vind, om allerlei typen te zien, die je anders niet zoo gauw onder de oogen krijgt. Je maakt desnoods 'n tochtje van 'n paar uren mee, en dringt je in dezelfde koupé vlak naast of over hen, en je hoort en bestudeert ze. — Of je blijft onder den kap rondzwerven en ziet ze in hun, zij 't ook vervluchtigende hartstochten en akties.
Zoo had ik daar 'n week geleden heerlijk geslenterd voor psychologische studie, maar ook om nog duizenderlei andere aandoeningen die mij altijd overstormen als ik treinen zie wegdonkeren in den zilveren ademhijg van hun stoom, of woest op me aanstormen in den avond, de lokomotief-sala-mander met z'n vuurgloeiende gedrochten-oogen.
En nu lag ik daar zelf, vent van zes en twintig, op 'n brankard.
O ! hoe ik toen den hoon en gril van 't Leven doorvoelde !
Dat is niet te zeggen, dat is alleen uit te snikken met brandende smarttranen.
Ik snakte naar leven, groot, hevig, geweldig leven, naar droomerig, broos, teer en innig leven, naar kracht, gezonde verrukking, naar fijne, zachte inleving van alles. Ik snakte naar m'n werk, mijn kunst; ik snakte naar 't meeleven van den strijd der proletariërs, naar 't uitbeelden van 't wereldwee en den wereldjubel der nieuwe menschheid. — Ik snakte naar alles,.. .. naar 't meeleven van kommer, van strijd, van goddelijke schoonheids-ontroering. Ik snakte naar jou, naar jou !
Daar lag ik, machteloos, gebroken, hijgend, en over me heen gebukt de Dood, grinnekend, z'n vaal-beenigen kadaver-kop spiegelend in 't flikkerend licht van zijn felle zeis.