114
alles omgekeerd ziende oogen, — die vijf minuten, lieve, vergeet ik nooit!
Ik dacht om niets meer, ook niet om jou!
Ik wenschte alleen dat m'n sterven dadelijk zou gebeuren, dadelijk, niet langer dan wat minuten zou duren. Ik smeekte er om, en toch.... toch wilde ik niet onder die roet-mistige spoorhel. Ik wou liever op 'n bed, met Zus, moeder, broers en vrienden om mij heen.
Ik sloot m'n oogen dichter, voelend dat 't gedaan zou zijn. 'n Zoo schrikkelijke apathie en verzwakkingsgevoel doorsidderden mijn lam lijf en de benauwingen zaten zoo vast op me geschroefd, dat ik de verpleegster niet kon toestamelen Zus dadelijk te zoeken, te roepen.
Ik sloot m'n oogen dichter uit verbittering dat 't zoo afliep, maar de spoorhel bleef toch vóór me visioenen. Ik zag in 'n groen licht, toch den stroom als 'n valen mist tegen de kap-ruiten opkronkelen, plots wegbronzend in den zoeten smoesel van wolkerige rook-cyklonen. Ik zag de signaalpalen. Ik hoorde feller 't vreemd gerucht, geklepper en gedreun. Ik rook al scherper zwavel, benzien ; vooral benzien. Die geur beroerde toen ontzettend en akelig m'n doodsgedachten.
Ik rook er in mijn eigen lijk, met 'n reuk als van half uitgebrand karbiet uit acetyleen-lantaarn. Ik hallucineerde op de reuken van de spoorhel, op zwavel, benzien, kolendamp en gaszoetige stanken.
Geen geluid kon ik geven, geen hand verroeren, anders had ik de verpleegster zeker verzocht de gordijntjes te sluiten. Maar zij zelf, zonder besef van mijn stom sterfgevoel, keek onrustig uit naar Zus, wat bang om haar lang wegblijven.
Eindelijk in jachtig gebaar kwam Zus aanstormen. Ik voelde plots haar warme, van innigheid doorstroomde zachte handjes op m'n klam angsthoofd, en ik keek op. Geen woord kon ik zeggen. Later vertelde ze me dat ik groen vaal had uitgezien als 'n gipskop in schemerlicht.
O Florence, hoe 't lieve vrouwtje me toen treurig aankeek.