3o
— Nou!... gierde Simbad's vreeselijke mond,... dan klamp ik 'r an en blijf een etmaal ruimsgast!... Wit jij?
— 't Rookie goed?
N — Fijne stinkertjes,... dampte Simbad sprekend door.
— Rooksaffies van mijn Medame,... viel Bochel bijtend uit.
— Die vuile Jet, die trékt d'r stokkies hè?
— As 'n schoorsteen.
Simbad schonk zich een bittertje in.
— As oud-seematroos... geluk tussche de piere, stilletjes,. .. mit hooge wind ... en altoos sitte,... mit de leit van haaks!
— Hoe trap je nou van wal? ... vroeg Manus.
— 't Steekt niet erg uit rege... Een westelijke wind! En Jet vangt d'r platvisch, sooveul d'r over de vlakte Ewermt tussche Groot-Mokum, Rotterdam en 't Haagie!
In één slok verzwolg hij zijn spatje. Het spelletje begon; de steenen rammelden dof in het nieuwe leer. Met één oog voortdurend dichtgeknepen, ganzepoot-pijp en sigaar ver vooruit, jachtte Manus zijn korte armpjes over de bak-doos. Zooals Simbad bak speelde, zoo kon het niémand. Bliksemsnel klakte hij zijn worp uit, kwakte de steenen weer de kokers in en schoof met harde patsen de schijven op de plaats. Dat kon de duivel ook niet bijhouden, pruttelde Manus.
— Sessies ... klak-klak-klak!... en het was weer gebeurd, in een ommezien.
Vreemd, mijmerde de Bochel. Den worp liet Simbad nauw kijken. Hij zou hebben durven zweren dat de kerel viertjes gegooid had. Opletten, opletten,... porde hij zichzelf aan.
— Klak-klak ... klak-klak!... patste Simbad weer en ertusschen redeneerde hij nog:
— De Nes ... apuuhh!... apuuhh!... gedaan ophede,...
geen gisse jonge meer.
Platvisch: onmondige meisjes. — Gisse: slimme.