158
«'«WT
en Staats-leeszalen, waar ook de allerarmsten boeken en couranten kunnen lezen. De Staat, die zorgt voor bibliotheken en universiteiten, ten gebruike van de ontwikkelden, heeft denzelfden plicht ten opzichte van de onontwikkelden.
Maar dit terrein laat ik gaarne over aan hen, die hiervan diepgaande studiën kunnen maken, zoo diepgaand, dat zij de praktijk en de wetten, door het eenvoudig verstand en hèt goede hart ingegeven, kunnen doen samengaan. Mijn lapmiddelen zijn andere.
Ten eerste dan : Meen niet, dat gij, door een som of sommetje aan een liefdadigheidsinstelling te geven, aan uw plicht hebt voldaan. Gij moet zelf geven. Gij moogt niet het persoonlijk contact tus-schen u zelf en den arme'verloren doen gaan. En als gij bedrogen wordt, tracht dan een volgende maal beter toe te zien. Bedenk steeds, dat de armoede degenereert, ontzenuwt, het zedelijke in den mensch doodt. Geef geen groote giften. Geef iets en geef dikwijls. Zoo hebt gij kans, nu en dan hun te geven, die ’t werkelijk noodig hebben en het bedelen als beroep blijft altijd van den bedelaar moeite, inspanning eischen.
Als gij een paar schoenen, een jas, een broek, een japon, een rok, een vest over hebt, dat voor u onbruikbaar geworden is, maar voor een ander nog dienen kan, zie dan eens rond u, op straat, en geef het weg, als gij den man, de vrouw of het kind gevonden hebt, die het blijkbaar noodig heeft. Het kan wel zijn, dat gij ’t een persoon geeft, die ’t verkoopen gaat voor een glas jenever.
Maar dikwerf zult gij een weldaad doen. En in elk geval hebt gij meer kans, zoo een weldaad te doen, dan wanneer gij het in uw kast laat hangen, ten prooi aan vocht, schimmel en mot.
Richt in elke stad een inrichting op, waar de daklooze een bed, voedsel, warmte en wat gezelligheid vindt. En mochten de kosten te groot zijn, welnu, richt dan een gedeelte van een kerk daarvoor in. Er zijn veel godsdiensten, maar er is er geen, die verbiedt den arme te helpen.
In oorlogstijd werden de kerken gebruikt als lazareth. Gelooft gij, dat de man zonder onderdak ook niet in een oorlogstijd leeft, een vreeselijken strijd voert met ziekte en dood ? Zeg niet, dat gij zoo uw kerken ontheiligt. Niet de arme, die in uw kerk onderdak vindt, maar degene, die daarbuiten dakloos zwerft, ontheiligt uw kerk.
Op koude dagen behoort een verwarmd gebouw, zoo er geen ander beschikbaar is, dan een verwarmd kerkgebouw, voor de dakloozen open te staan, om zich te kunnen verwarmen.
Ik: wijs op de kerken, omdat men in Nederland van deze gebouwen te weinig practisch voordeel trekt. Zij zijn zes dagen gesloten of dienen slechts enkele uren en dan voor een klein gedeelte. En vele dezer kerken zijn erfstukken van ’t voorgeslacht aan ’t nageslacht. Er zou veel over te twisten zijn, of de kerken niet behoorden Staatseigendom te zijn en na stemming door het Parlement moesten worden toegewezen aan de gemeenten, die daarop de meeste aanspraak konden doen gelden wegens getalssterkte.
Niemand weet, of niet duizenden van onze voorouders, die deze