Voor ’t bed stond een stoel. Ik ontkleedde mij half en legde mij ter ruste.
Maar van nachtrust kwam niet veel. Want in de vrouwenkamer hoorde ik een vrouw vreeselijk vloeken. Zij vloekte als een krankzinnige.
„Hou je sm...l. Wat heb je er aan, spiritus te drinken...” zei een . andere vrouw norsch.
„Jij, vuilik, jij............”
En de vrouw vloekte weer, steeds dezelfde vloeken achter elkaar herhalend.
Ik vertel niet, welke scènes dien nacht voorvielen. Toen ik ’s morgens het huis verliet, na mijn vriend den liedjeszanger meegedeeld te hebben, dat ik liever op eigen handje zaken dreef, besloot ik mijn bedeltocht te staken.
Ik had wel niet genoeg ervaren, doch mijn energie was uitgeput en mijn been begon door ’t kreupel loopen pijn te doen, zóó, dat het mij moeite ging kosten, gewoon te loopen. Ik had de bitterste armoede van nabij beschouwd. Nu, op dit oogenblik, terwijl ik rustig in mijn studeerkamer zit, welverwarmd, welgevoed, welgekleed, welbehuisd, met mijn boeken rondom mij en al de vele kleinigheden, die een tehuis aangenaam maken, lijken mij die veertien dagen als een angstige droom, dien ik heb doorleefd. Maar het is geen droom helaas. Dat alles was werkelijk léven. Die menschen, eiken dag opnieuw worstelend voor de allernoodzakelijkste levensbehoeften, zijn menschen, zijn menschen, zooals ik, zooals gi}, en wie zegt u, dat uw liefste kind, dat ginds lachende in ’t wiegje ligt, niet later zóó zal worden als zij. Het rad van fortuin draait rond en niemand is zeker van zijn toekomst. Daarom, zoo medelijden u al geen sterke drijfkracht genoeg is, laat dan zelfbehoud u aanzetten, mede te helpen, dat de toestanden, zooals ik ze hier schetste, verbeterd worden.
Ik heb beloofd, in ’t begin van dit werkje, dat ik aan ’t slot eenige lapmiddelen zou aan de hand doen. Nu en dan vond ik reeds gelegenheid, hier en daar een opmerking te maken. Zoo alleen kon ik voorkomen, dat gij mijn verhaal zoudt lezen om ’t interessante en het doel van dit, mijn onderneming, zoudt voorbijzien.
Mijn middelen zijn voorloopige. Duurzame verbetering verwacht ik alleen van den wetgever, die geleid wordt door den socioloog, den oeconoom, den statisticus. Wij hebben wetten noodig, die de ouders dwingen, hun kinderen tot twaalf jaar ter school te laten gaan, en andere wetten, die den Staat dwingen, te zorgen, dat die kinderen, zoo noodig op school, voorzien worden van Jdeeding, voedsel en huisvesting. Dat zal niet dadelijk helpen. Maar na jaren, laat ons zeggen een halve eeuw, zal dan de algemeene ontwikkeling zoover zijn voortgeschreden, dat de ouders voor ethische beginselen vatbaar zijn geworden. Wij hebben wetten noodig, die elkeen dwingen, een beroep of ambacht te leeren. Verplicht ambachtsonderwijs, zoo goed als verplicht lager onderwijs. Wij hebben noodig Staats-bibliotheken