„Ja man, je hebt het besteld en ik heb d’r op gekookt.”
„Nou, ’k zal het wel betalen. Hoeveel is het?”
„Een dubbeltje.”
Ik betaalde een dubbeltje. „Is er misschien iemand, die ’t lust. ’t Is zonde als ’t koud wordt,” zei ik.
„Of iemand ’t lust — dat zal wel waar zijn. Vrouw Verstruwe, hij vraag of jij ’t lust?”
Een gore vrouw, mager, hoekerig, al grijzend haar, met een zwarten, gerafelden omslagdoek om de schrompel-schouders, kwam toeschieten, zette zich aan mijn tafeltje.
„Dank je wel hoor!” zei ze en ze begon gulzig te eten. Zij keek telkens op van haar nap, keek mij aan,met koolzwarte glinsteroogjes
...... Ik ging niet op haar voorstellen in. Maar ik geloof, dat nooit
billijker een „liefde” gekocht werd, dan voor één dubbeltje bruine boonen in meelsaus!
Ik stond hier aan den rand van.den afgrond der sociale misstanden. Hier zaten een hongerige, afgetobde vrouw op leeftijd en een kreupele, verwaarloosde bedelaar, (dién ik immers voorstelde) twee gedegenereerden bij elkaar. Wee het arme kind, uit zulk een tweetal geboren. Wie zal het verwijten, als het later misdadiger wordt of als ’t later den grooten hoop van die proletariërs zal vermeerderen, armen en ellendigen, die niet arm zijn, doordat zij arm aan stof ter wereld kwamen, maar wijl de strijd des levens voor hen te zwaar is, van de wieg tot het graf. Zij zijn de zwakken, die in deze maatschappij ondergaan en noodzakelijk zullen blijven kwijnen. Men kan hen niet afdoend helpen, nooit hen er toe brengen, voor zich zelf te zorgen. Zij zijn in de maatschappij, wat die vruchten aan den boom zijn, welker kern reeds bij ’t ontbloeien door een insect is aangestoken.
Xa het middagmaal woonde ik een walgelijk tooneel bij. Een vrouw van een veertig jaren, die met een moot glas jenever voor zich zat, ging vrijen met een jongen van negentien jaar, aangetast door lupus of een andere ziekte, die reeds een gedeelte van ’t gelaat had aangetast. En de gesprekken van ’t gezelschap liepen over niets anders dan over de intiemste bijzonderheden van man en vrouw, geïllustreerd door vloeken, verwenschingen en bedreigingen.
Ik verliet het huis, ging dineeren en tegen half elf kwam ik terug. Het slaapgeld bedroeg 15 cent. Ik betaalde, ging naar boven. Er A'aren twee kamers, elk met een achttal bedden. De kamers waren vroeger door een dubbele deur gescheiden geweest, doch deze deuren waren weggenomen. In de achterkamer sliepen de vrouwen, in de voorkamer de mannen. Ik hoorde het aan de stemmen, want ’t was donker ; alleen in de voorkamer was eenig schijnsel van een straatlantaarn.
Ik streek een lucifer af, bekeek mijn bed. Het was een smal, ijzer ledikantje, met een bed van haverdoppen, twee lakens, twee dekens en eed hoofdkussen, niet weelderig, maar in elk geval een koninklijk bed tegenover dat van ’t Leger des Heils.