155
„Xou, ga nou zien je daaldertje te halen. Ik wacht je hoor, in ’t ^ logement, ’t Is d’r niks pluis hoor, in dat krot. Je hebt er van dat...
(Hij maakte een knippende beweging met zijn nagels) Maar wij mogen zoo kieskeurig niet zijn. Ofschoon, ik" ben d’r as de dood zóo bang van. ’k Zal je wachten. Je hebt meer kans mij te zien, dan die d...nderh...nd, die je vanmorgen... Hoe kom je zoo stom. As wij samen zijn, zullen we ’t wel anders inpikken. Laat dit maar an mij over. Mij zijn ze niet te glad. Ik ken van alles. As ’t zingen niet wil, loop ik nog wel met turf. Maar daar word je zoo smerig van. En dan ztio’n kar de heele dag opduwen en te sjouwen met de turf. Maar ik vern...k met het tellen. Hou je gezicht, dan za’k je ’t leeren. As je turven telt, neem je d’r eerst vijf bij mekaar, dan zeg je „vier.”
Dan houwen de lui d’r smoel, al zien ze ’t. Dan neem je d’r vier en je zegt vier. Dan neem je d’r weer vijf en je zegt vijf. Dan houwen ze weer d’r smoel. Want zij zouwen een arme turfboer zijn laatste cent afzetten. Maar dan neem je d’r drie en zegt vier. Dan merken ze het half, maar ze durven geen smoel open te doen, want ze zijn bang, dat je gaat overtellen en zoo lap je het ze door mekaar en dan zorg je natuurlijk, dat jij hen aan ’t eind belaaitafeld heb. Nou, ga je daalder halen. Ik wacht je. ’k Zal je nog heel wat leeren, want jij bent anmorgen, reimitteer me zond?, een crledubbelgedwarsboomde ezel geweest...”
Hij liep van mij af met kleine, voorzichtige stapjes. Ik ging de stad weer in en plaatste mij dicht bij de hoofdstraten, waar de St.-Xicolaas-straatdrukte weer was begonnen in ’t goudgeschemer der hel-lichte winkels, in een kerkportiek, mijn kruk naast mij, mijn paljassen op mijn borst, mijn hced op m,n knieën.
De menschen keken op; velen verschrikten. Velen ook lachten, zeiden : „Daar heb je hem nou ook” of „Daar is Paljassie” of „Dat is mijn vrijer” of „Daar heb je nou de echte Sinterklaas.”
Xa twee-en-half uur, toen de koude mij drong op te staan, had ik zeven cent ontvangen, éénmaal drie cent van een paar naaistertjes, naar ik vermoed.
Maar spotternijen en grove woorden had het geregend.
Ik ging nu naar het logement terug. Men was al aan ’t eten.
„O, daar is-ie.”
Er zaten een twaalftal lieden te eten. Kr waren zeven vrouwen bij, waarvan één jong. de anderen mager, vervallen, afgebeuld, zooals werkmansvrouwen op vijf-en-dertig a veertigjarigen leeftijd dat kunnen zijn.
„Is de man met mijn poppen al terug?” vroeg ik.
Er ging een gelach op.
„Die zal je nog wel is hiernamaals ontmoeten,” lachte een jonge kerel, mager, lang. met een sluw gelaat en loerende oogjes, kleinronde zwarte balletjes als pillen.
..Hij vraagt of-ie zijn poppen terugkriigt,'” lachte een man met een grijns naar een vrouw, die ook schik in ’t bedrog had.
D“ waardin bracht mij een nap bruine boonen in een bruine saus.
„Ik heb een kliekje gehad op straat, ’k Lus niet meer.” ’