noordwestenwind. Die ’s goed voor de doodgravers. Maar mijn krijgen ze nog niet. Ga je mee?”
’ Wij gingen weg. Hij betaalde vier brandewijntjes, twintig cent.
„Heb je nogal wat verkocht?” vroeg hij mij, toen wij samen op straat liepen.
„’t Gaat wel — twee kwartjes.”
„Nou, dan heb je genoeg om je maag vol te vreten. Beter een volle maag dan een volle broek. Jij bevalt mij. Jij bent niet als dat andere schorem. Dat heb ik vanmorgen al gezien. Maar stom ben je. Denk jij, dat die schobbert je je poppen terugbrengt of je centen brengt ?”
„Welzeker,” zei ik overtuigd.
„Nou, ’k mag het voor je lijen. Maar de jenever is te lekker. Hij zal ’t er wel dóór gooien. Loop een beetje dichter naast mij. Miin stem is nog best en mijn karkas is van ijzer, maar mijn oogen willen niet meer. Je mot de kijkers van mijn jongen zien, wachtmeester van de Koninklijke huzaren. Daar sta je recht voor, as hij je aanziet. Maar mijn oogen zijn öp. Daaraan voel je dat je oud wordt. Zie je, ’k most iemand hebben, die mij zoo’n beetje leidde en oppaste. As wij nou samen eens een honderd van die poppen insloegen en dan de boer op. Ik ben bekend in Zuid-Holland en Noord-Holland. Wij verdienen samen een winterduit as we dat doen. Ik weet de weg. Je zal geen dag onder de bloote hemel slapen. Ik ken mijn boeren. En as ze je niet in de hooiberg laten, dan zeg je maar, dat jij nog lucifers heb. Dan doen ze wat van angst in d’r broek en ze geven je brood, kaas en melk toe. Een boer is as een beest — je mot ’m an-durven. Hoeveel wil je omleggen. Ik geef een daalder, kom nou ook is uit de hoek...”
„’k Heb geen daalder te verliezen,” zei ik. „Maar ’k zal ’m zien te krijgen. Kan u nou niet in een Oude-Mannenhuis komen ? Mij dunkt, op uw leeftijd nog te moeten zingen...”
„Zeg maar schooien. In ’t Besjeshuis. Waarachtig kan ik daar komen. ’k Ben lidmaat van de Groote Kerk hoor. Ze motte mij er in late, als ik wil. Maar ’k wil niet. Wat denk je. Dat kenne wij. Opstaan op klokkie en slapen gaan op klokkie. En werken zooveel als je werken kunt. En voor niks. Voor een paar centen, niet genoeg voor tabak. En geen droppel stevigheid in je kraag. En je vrijheid kwijt. Vader, mag ik uit? Vader, mag ik dit? Vader, mag ik dat? Dan liever schooien. Ze geven mij mijn schrobber as ik zing en ik heb mijn vrijheid en die mot ’k hebben. As ik morgen mijn vrijheid kwijt ben, ken je me overmorgen zien wegstoppen. Dan is ’t uit met dit ouwe turfschip, dat mijn brooze karkas is. ’t Besjeshuis. Ik doe ’t niet. Zie jij een daalder te krijgen, dan gaan wij samen de boer op. Dat’s wat anders. De frissche locht die je longen_binnenwaait. En Gods vrije natuur. Dat mot ’k hebben. En mijn vrijneid...”
Hij stond midden op straat stil en begon weer te zingen :
„De vierkleur van ons dierbaar land...”