moet je mijn zoon zien. Mijn zoon, wachtmeester bij de huzaren van Hare Majesteit. Zegt u wat. Wachtmeester van de Koninklijke huzaren hoor. En hier, deze tabaksdoos, echt, massief Berlijnsch zilver, heit-ie mij cadeau gemaakt op mijn jaardag... ’t Is een pracht van ’n jongen, zoo hoog van den grond af. Zijn moers aard heit-ie. Want dat was een goed wijf.... Als zij niet gestorven was... Baas, nog zoo’n klein splintertje om mijn brooze lijf te vernagelen. Geen suiker, ’t wordt mij te zoet. Je-mot het voelen, anders heb je d’r geen kracht van. As mijn wijf was blijven leven, zou je mij nou anders zien. ’k Heb een eigen turfschip gehad hoor, „De vrouw Catharina, op hoop van zegen.” ’t Heette naar een moei van mijn vaar, die d’r centen d’r in had gestoken en toen dit aardsche tranendal hajuussies had gezegd. En as mijn wijf had blijven leven, dan had ik niet aan de zuip gegaan. ’k Heb alles d’r door ged...nderd — ik wil het wel weten. Maar dit brooze lichaam, is van ijzer. Nooit ziek geweest. En mijn stem :
„De vierkleur van ons dierbaar land,
Die waait weer in Transvaal...”
Er waren meer bezoekers gekomen, een paar boeren, een venter. Een slager kwam binnen. Hij had in een blikken bakje een paar stukken zwartig vleesch.
„’k Heb nog een lekker kluiffie over. ’k Wil sluiten. Wie biedt er voor ?”
De boeren keken eens en trokken den neus op.
„Je hoeft je neus niet op te trekken,” zei de slager, „’t Is goed vleesch hoor.’
„’t Ziet er wantrouwig uit,” zei een der boeren.
„Bie is wat.”
„Wat zou ’k biejen ? ’k Heb ’t niet noodig.”
„Nou, ’t is acht ons, je kunt het nawegen. Vier stuiver... ben ik te duur ?”
„Nee, duur is ’t niet. Maar ’k heb ’t niet noodig. ’k Heb zelf een slachtbeest.”
„Even goeie vrinden.”
„Nou, laat eens zien,” zei de oude liedjeszanger.
Hij nam het schaaltje vleesch aan, woog het in zijn hand, gooide met zijn vingers het vleesch om, rook er aan.
„’t Is goed hoor, ’t is best.”
„Nqu, hoeveel... ?”
„Ik koop geen vleesch. Waar zou ik ’t moeten braaien, ’k Ben net als de kraaien in den snoei — de tuinman heit mijn nest verstoord.”
„Nou, dan ga ’k maar naar huis en maak er zelf een soeppie van.”
De slager ging^weg.
„Gelukkige sterveling. Die heeft nog een thuis. Maar wij arme bliksems. Wat?” zei de liedjeszanger, zich tot mij richtend.
„Maar ik klaag niet. ’k Heb mijn vrijheid hoor. En ’k heb vandaag mijn schrobbers weer bij mekaar, ’k Kon er vanmiddag ook nog wel op uit gaan, maar ’t wordt mij te koud. ’t Is een leelijke, venijnige