152
ik geen twee huizen verder of een dienstmeisje kwam mij hard na-loopen.
„Gauw een pop. Je hebt alle kinderen aan ’t huilen gemaakt. Hoeveel kosten ze ?”
„Een dubbeltje.”
Zij gaf mij het dubbeltje.
Zoo had ik na drie uren werkens zes cent verdiend en dat nog alleen doordat ik onbewust een der grepen van het vak had in praktijk gebracht.
Moede en hongerig vroeg ik een agent naar een gaarkeuken en hij wees mij een lokaal aan in een straat nabij de markt. Het was een hoog, ruim gebouw met zes ramen. Het was er zindelijk en er zat een publiek uit den kleinen burgerstand. Ik kreeg voor zes cent een kom erwtensoep, die uitstekend van smaak was.
Deze inrichting mist alleen gezelligheid. Het schijnt principe te zijn, om, zoodra er iets voor den minder gegoeden stand gedaan wordt, daaraan iets kils, iets gesticht-achtigs te geven, als moest toch vooral in herinnering gebracht worden, dat hier slechts weinig geld verdiend wordt. Waarom toch steeds dat gebrek aan toewijding, hart, begrip, praktijk ? De eerste de beste kroeg kan u leeren, wat de werkman zoekt, gezelligheid, iets huiselijks, iets eigens.
Na uitgerust te zijn, ging ik naar een kroegje dicht bij de markt, waar, naar men mij gezegd had, dikwerf de venters bijeenkwamen.
Ik zat er nog nauwelijks voor de toonbank op een bankje tegen het venster, toen ietwat verder in het lokaaltje de grijze liedjeszanger mij wenkte.
„Heb'je wat verdiend?”
„Weinig,” zeide ik.
„Nou, ik heb mijn veertien stuivers bij elkaar en nou steun ik mijn brooze lichaam. Geef mij nog maar eens een brandewien met suuker, zooals ze in ’t boerenland zeggen. Hier de baas heeft mij wat anders gekend, hè baas ? Maar daarom niet getreurd, ’k Heb nog altijd genoeg om de keel te smeren. Als ik aan de deuren kom, geven ze me nog altijd wel een schrobber (cent) en een schrobber voor ’t liedje maakt item twee schrobbers. Baas, mot je nou ook niet ééns een liedje van mij koopen ?”
„Ikke niet,” zei de tapper.
„Dan zal ik je ’t maar geschenk doen, uit ouwe kameraadschap. Pak aan, en nou zal ik je ’t ook eens voorzingen.
En hij begon weer, maar nu schor en vermoeid :
„De vierkleur van ons dierbaar land,
Die waait weer in Transvaal,
En wee die Godvergeten hand,
Die hem weer neer wil haal...”
Wat zeggen jelui van mijn stem ? En nou ben ik verlejen week met God en met eere twee-en-zeventig jaar geworden. Hier de baas heeft mij anders gekend, heb je niet? Maar ’k ben toch tevreje. En nou