„Best,” zei ik. „Maar hoe duur?” . , ;-
„Vier cent.” , .
„’k Heb ze voor drie cent gehad.” ,i • , ;;, . .
„’t Kan niet. ’k Verdien er geen zout in ’t eten aan. Wij,ziften z? tot ’s nachts drie uur te maken. Ik, mijn dochter en , de kipderen. Weet je wel, wat voor ’n werk aan die poppen is? Eer^t knippen, dan plakken, dan de touwtjes er door knoopen. En d^t luistert alles nauw. ’tBordpapier, de poppen, de stijfsel, het topw en dan d,e petro* leum, die wij verbranden, want ’t is zoo vroeg donker en. de kinderen moeten eerst naar school. En dan de kachel ’s nachts, want 't is een koud werk, je zit er stil bij. Gisterennacht waren we allemaal misse* lijk. En wat wij overhouden is geen cent waard, want van die paar dagen voor St.-Nicolaas moeten wij ’t hebben. En wii motte,wat verT dienen en de koopman wat. Verkoop je er nogal wat van ? ’t Is een heel stuk zoo’n pop en ’t is nogal oogelijk goed.”
Hij nam een kleurigen, grooten harlekijn en aan het touwtje trekkend, liet hij hem dansen.
Ik keek rond in ’t kleine armoedige kamertje. Ik zag de handen van de kinderen, rood van de kleurstof der poppen, die bij ’t plakken afgegeven had.
Hoe steunt ons eenvoudigst en kinderlijkst vermaak op wreedheid! Deze dansende, lachende papieren pop, zij zou nooit verhalen aan ’t kind, dat er zich mee vermaakte, hoeveel inspanning, zorg en uren van nachtrust het een armer broertje had gekost, die tot diep in den nacht zat te knippen, te knoopen, te plakken.
De vader telde een paar dozijn poppen voor mij.
,,’k Heb, Goddank nog niet te klagen. De kachel brandt, zooals je ziet en wij hebben geen cent van iemand noodig. Maar ’t is tegenwoordig werken man, als je niet van honger wilt omkomen met je
gezin....... Hier, die heb jij toe, dat’s een besteller, die zijn mond
ook open doet, als je aan ’t touwtje trekt. Daar krijg je een kwartje voor, als je een gek treft...”
’k Betaalde mijn poppen, liep de straat op, trachtte te verkoopen. Maar alle moeite was vergeefsch. Om twaalf uur had ik er nog geen enkele verkocht, ’k Gaf het toen maar op. Mijn hand was moede van ’t aanbellen, het trekken aan het touwtje van de poppen en dan ook, ik begon te walgen van het werkje. Ik werd moede, mijn energie raakte op. Deze nacht, besloot ik, zou mijn laatste van mijn bedelaarsreis zijn. Men zegt zoo vaak : Waarom gaat zoo’n arme man niet met negotie loopen. Maar niet ieder kan werken, niet ieder kan handeldrijven als venter. Ook venten, ook op straat verkoopen eischt energie, eischt lichaamskracht, eischt gaven van radbespraaktheid. van doorzettingskracht, eischt menschenkennis.
Een juffrouwr zat voor een raam met een viertal kinderen te spelen. Ik schelde aan. Men deed niet open. Ik ging nu voor ’t raam staan, liet een pop dansen voor de kinderen. De juffrouw' wees mij om heen te gaan. Maar ik bleef volhouden. Zij ging toen met de kinderen van ’t raam weg. Doch een jongetje wilde niet en begon te huilen.
Toen ging ik weg, tevreden met mijn kleine W'raak. Maar nog was