gekomen, met een grijzen baard, een pet op ’t hoofd en een versleten leeren tasch met een groven, koperen beugel, die aan een riem over den schouder hing, op de heup.
„Ik ga maar weer eens me stem schuren. Hum, hu, hulium,”" schraapte hij hard met zijn keel. „Vooruit met de geit. Geef mij eerst eens zoo’n heel klein schuurpapiertje van je.”
De baas schonk hem een glas klare in. Hij dronk het in één teug leeg.
„Zoo, dat doet dit brooze lichaam goed. Daar hou je je mee óp. En nou op de schrobbersjacht... Zoo, wat heb jij aan je been ? Door-geloopen... Schande, zoo’n jonge knul als jij. Kijk mijn eris aan. ’k Ben nou in de zeventig. Maar nog sterk hoor, ’k sta je nog. En mijn stem is nog als van een jonge kerel. Hoor hier...”
Hij haalde uit de leeren tasch een bundel liedjes, nam er een van in de hand en begon met een zware stem te zingen :
De vierkleur van ons dierbaar land,
Die waait weer in Transvaal,
En wee die Godvergeten hand,
Die hem weer neer wil haal......
„Wat zeg je daar nou van? Dat’s een stemgeluid, is ’t niet? Van ijzer hoor, van ijzer... Zoo, geef jij je poppen weg. Dat’s braaf van je. We zijn allemaal tobbers onder malkaar in dit ondermaansche tranendal. En jij nou ouwe, is ’t niet? Zijn we geen tobbers?”
Hij sloeg een der arme vrouwen op den schouder.
„Schei uit, ouwe gek,” zei de vrouw.
„Nou, ’k ben toch nog mooier dan je jongen. Ben ik niet... ?” „Ga maar door hoor, ouwe roestige spijker!”
„Hang je daar an op. Goeie morge saam...”
Hij ging met kleine schuifelstapjes de straat op, voelde met zijn stokje eerst naar het drempeltje, vóór hij ’t afstapte. Ik zag hem voorbij het raam schuiven, zijn oud, goedig hoofd wat voorover.
„Nou geluk met je negotie. Vanavond dus weer hier. Hoe laat eet u juffrouw ?” vroeg ik.
„Om vijf uur.”
„Dank u. Dag juffrouw.”
„Dag man.”
Ik liep de straat op. Daar mijn voorraad poppen zeer gedund was — ’k had ze op een paar na aan den gekwetsten werkman gegeven — besloot ik een nieuwen voorraad te gaan inslaan. De koopman op de markt had mij ’t adres van den fabrikant gegeven. Dat was in een afgelegen straat in een nauw gangetje. Ik klopte aan een smal verveloos deurtje, kwam dadelijk in een kamer. Daar was een man van in de veertig jaar, een meisje van zeventien en een jongen van twaalf jaar. Het was er warm, de kachel brandde stevig.
Ik vroeg poppen te koop.
„Dat’s jammer. De koopman heeft ze alle op de kar. Neen, ’k heb er toch nog wat over. Kan je deze gebruiken ?”