Zaterdag, 2 December. Dezen dag besloot ik te gaar* slapen in een der logementen, mij door een der rechercheurs genoemd.
Het was een klein huisje, gelegen aan een smal grachtje, met aan de overzijde aan ’t eind een ijzerfabriek. Ik ging er ’s morgens heen, om eens poolshoogte te nemen.
Voor was een soort slijterijtje met een vijftal houten tafeltjes en een kleine tapbank, achter was een grooter lokaal, dat tevens tot keuken diende.
Het was acht uur in den morgen, toen ik aankwam. Hoog op zijn klompen stond in ’t achterste lokaal een man borden te wasschen. Vóór zaten een paar arme vrouwen, een pluisde een stuk brood uit. Er waren ook een jonge vrouw en twee kinderen, een jongen en eer* meisje. De jongen kreeg juist van de moeder slaag, omdat hij al naar school wilde, terwijl ’t nog te vroeg was.
„Je staat wat uit met kinderen," zei de moeder.
„Ja mensch en toch wil je ze niet missen.”
„God bewaar mij, zei de moeder. En zij haalde een cent uit haar zak, gaf hem het schreiende jongetje en zei verteederd: „Waarom, mot je het je moeder toch altijd zoo lastig maken ? Nou naar school,, marsch.”
Het kind ging snikkend met zijn cent weg.
„O, daar heb je hem. Mensch, maak dat je naar boven komt.”
Een der arme vrouwen vluchtte door een zijdeurtje en liep eer* trap op.
Een groote, stoere kerel met een hoogrood gezicht kwam binnen.
„Waar is dat canaille? Waar is dat smerige wijf, dat vuile......”
Hij liep het deurtje door en kort daarna hoorde ik het doffe bonzen van slagen en het kreunen en gillen van een vrouw.
De man kwam weer beneden.
„’k Heb ’r d’r vet gegeven. Mot dat kr...ng mij dat aandoen? Zuipen kan ze en............ Maar ’t zal mij niet meer gebeuren of ik sla
d’r harsens in...”
Hij liep naar ’t achterhuis, ging een plaatsje op.
„Ja, ’t is d’r eigen schuld,” zei de andere wouw tot de jonge waardin. „Waarom temteert ze d’r man ook. Mot zoo’n wijf met groote kinderen nou zoo leven......”