143
stellen, hoe over een paar eeuwen de menschen zullen denken over ons stelsel van straf en correctie. Zullen ze er niet op neerzien, zoo-als wij nu op de straffen der middeleeuwen ?
Waar is de grens tusschen ziekte en misdaad ? Welke mensch durft hoovaardig zijn op zijn niet-misdadig zijn, die moedig een blik in zijn eigen innerlijk heeft geslagen en zijn instincten heeft verkend ?
Mijn naam werd geroepen. De hoofd-commissaris liet mij ontbieden. Het antwoord-telegram was door een samenloop van omstandigheden zeer lang uitgebleven. Maar het was dan toch gearriveerd en thans werd ik officieel in vrijheid gesteld. Ik werd daarna voorgesteld aan de leden der afdeeling recherche, die mij complimenteerden wegens mijn uitstekende vermomming, een compliment dat ik van deze deskundigen gaarne aannam en het kort verhaal van mijn ervaringen wekte hier natuurlijk evenveel belangstelling als bewondering. Men was zoo beleefd mij eenige adressen op te geven van logementen in Den Haag, waar ik bedelaars zou kunnen aantreffen.
Toen ik vertrok, begaf ik mij eerst nog even naar de wachtzaal der agenten, waar ik mijn paljassen had gedeponeerd. De agenten wisten, dat ik in vrijheid gesteld was, doch zij waren nog steeds onkundig van mijn waren toestand. En toen ik met de paljassen op mijn borst de zaal verliet, vroeg een agent mij gemoedelijk, of ik nogal zaakjes deed met die poppen.
„’t Gaat wel, ’t gaat wel,” zeide ik.
„Hoeveel kost die groote pop; ’k moet wat koopen voor mijn kleinen jongen.”
„Een dubbeltje, omdat hij een beetje beschadigd is.”
„Geef dan maar op.”
En ziedaar mij triomfantelijk het politie-bureau verlaten na een dag vol wederwaardigheden, eindigend met den verkoop van een paljas aan een agent!
Er lag eenige humor in ’t eeval. Maar toen ik dacht aan mijn vriend, den Duitschen muzikant, die naar de gevangenis was overgebracht en daar moest verblijven tot hij den volgenden morgen over de grenzen zou gebracht worden, deze man, hoopvol naar Holland gekomen, om daar met zijn arbeid iets te verdienen, hij, arme bohémien, die niets, niets anders misdaan had, dan dat hij arm was, hij, voor wien dat alles geen spel, maar wreede waarheid was en ik dacht aan die vrouw, die haar kwakje gekregen roode kool schreiend zat op te eten, toen verging mij de lust tot lachen en ik vond/dat mijn avontuurlijke dag een luguberen kant had.
Ik weet wel, dat de politie in dezen moeilijk anders handelen kon. Want zij moet de misdaad zooveel mogelijk voorkomen en indien de vreemdeling zonder geld een dag, twee dagen zonder verdienste blijft, en dit kan immers gemakkelijk gebeuren, blijft hem weinig anders dan een misdrijf over.
En toch, toch...... de mieren zijn wellicht nuttig, het is toch een
pijnlijk oogenblik, als zij den krekel wegjagen, krekel, hij, luchthartige zangvogel uit Thüringen, die zich zoo bedroog in de milddadigheid en gastvrijheid van steinreich Holland...