XIV.
Vrijdag i December. Hedenavond besloot ik in ’t Leger des Heils te gaan slapen. Het was regenachtig weer en toen ik weder de inrichting nabij het Koninklijk Paleis binnenging, herkende de portier mij dadelijk.
„Kan ik hier slapen, mijnheer?”
„Jawel, maar dat kost een kwartje.”
„Is ’t niet goedkooper?”
„Neen, een kwartje.”
Ik betaalde het kwartje.
„Mijnheer,” zeide ik, „ik heb een portemonnaie met een gulden, kan ik die hier laten ?”
„Neen, dat kan niet. Maar er zijn hier gewoonlijk geen dieven.” „En mijn poppen, die wekken maar opzien.”
„Die zal ik hier voor je bewaren.”
Ik ging het plaatsje over en de zaal binnen, waar een dienst werd gehouden. De rumoerige godsdienstoefeningen van het Leger des Heils zijn genoeg bekend, dan dat ik ze hier behoef te beschrijven. Het zaaltje was vol met een honderdtal personen en op het podium stond een heilssoldaat te betoogen. Er waren veel vrouwen in ’t zaaltje, dienstmeisjes, die hier haar avond doorbrachten met het zingen der heilsliederen en het luisteren naar de toespraken. Er liepen ook verscheidene vrouwelijke soldaten rond. Het stonk benauwd in ’t overvolle zaaltje, waar de natte mantels in de warmte aan ’t drogen waren. Men schikte vriendschappelijk voor mij in en niemand sloeg bijzonder acht op mij.
Dit viel mij tegen. Ik had verwacht, dat een der zusters mij zou aangeboden hebben, mijn zoo deerlijk gescheurde jas een beetje te verstellen. Dat zou een harmonischer accompagnement van de liederen zijn geweest, dan de turksche trom en de cornet a pistons benevens het handgeklap.
Te tien uur was de dienst geëindigd en wij gingen naar de groote eetzaal. Ik schat, dat er zoowat een tweehonderd mannen in de zaal aan de houten tafels zaten. Ik nam hen op. Behalve de gewone typen van arme werklui zag ik er verscheidene, aan wie men kon zien, dat zij beter dagen gekend hebben.
Nadat allen gezeten waren, kregen wij een kom koffie, zeer slechte,