Twee weken bedelaar

Titel
Twee weken bedelaar

Jaar
1900

Pagina's
178



142

dan zal je nog is wat anders zien gebeuren. Ze spanden de honden er weer voor en ’t rommeltje weer in de kar en allo jongens. Maar of die lange pooier er nou uit bleef en met zijn lijf naast de beesten liep en ze hielp meetrekken.”

„Wat konnen jou die honden schelen?” vroeg een der vrouwen onverschillig.

„Ik kan geen beest zien mishandelen. Menscheen kenne zich zelf helpen, daar hebben ze d’r bek voor om te klagen en te schreeuwen, maar een beest kan zich niet verweren.”

„Nou, ik ken een hond levend zien villen, dan verroer ik nog geen vin,” zei een lange, magere, jonge kerel.

„Ja, jij bent te lui om je pooten uit te steken. Dat weet iedereen.” „Daar ben ik Iogementsbaas voor. D’r is geen een logementsbaas, die werkt. Nie waar Mie ?”

Hii sloeg de dikke waardin op den rug.

„Zeker ben je een luie s.........,” zei ze, maar zichtbaar blij met

het bewijs van vriendschap van den baas.

„En ik zou me schamen om de boel op te vreten en niks uit te voeren, als ik een jonge kerel wis.”

„’t Is toch jou boel niet 1”

„’t Kan mij niet verd......, ’k wil het je maar zeggen.”

„Hoor is Nico,” zei de waardin bemiddelend, „hoor is, zoolang ik het goed vind, heb jij je slurf er niet in te steken. Ieder zijn meug.” „Nou, jij houdt er een meug op na,” zei de harmonica-speler, verachtelijk kijkend naar den „kerel” van de waardin, die lui op een stoel was gevallen en te lusteloos of te laf was om ruzie te maken.

Ik stond op en strompelde naar ’t politie-bureau op ’t Alexander-plein. Daar aangekomen, zeide men mij, dat de hoofd-commissaris nog niet aanwezig was, doch dat ik maar in de agentenkamer om inlichtingen moest gaan vragen. Ik ging naar de agentenkamer, vroeg daar of er ook bericht voor mij was.

„Er is geen bericht voor zoover ik weet. Moest u terugkomen ?” „Ja, de hoofd-commissaris heeft mij gezegd om vier uur hier terug te komen. Maar nu hij er niet is, ga ’k maar weer heen.”

„Neen man, dat gaat zoo maar niet. Je moet hier wachten.”

„Maar ik ben vrii man, ik kom hier uit eigen beweging.”

.„’t Doet er niet toe. Hier blijven...”

Er zat niets anders op. Ik ging naar ’t bankje en moest daar wachten, langer dan een uur.

Het bankje stond vlak voor een cel. En ik keek eens door het luikje en zag de cel — een vierkant hok met een klein raampje. Het was voor ’t eerst van mijn leven, dat ik het hokje zag, dat wij gebruiken om misdadigers op te sluiten, die verbeterd moeten worden. Ik rilde. Ik dacht aan de velen, die lange maanden in een dergelijk hok in eenzaamheid hun leven slijten. En ik dacht aan de moderne theorieën omtrent misdaad en praedispositie, misdaad en omstandigheden, misdaad en krankzinnigheid. Ik dacht aan de vreeselijke verantwoordelijkheid onzer rechters, die door één woord te beschikken hebben over het levensgeluk van zoovelen en trachtte mij voor te

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.