Twee weken bedelaar

Titel
Twee weken bedelaar

Jaar
1900

Pagina's
178



i4i

den. Vier gulden aan centen hadden zij opgehaald, met z'n vieren spelend en zingend, steeds uitkijkend of de politie hen niet zou verschalken, tijdens een werkdag van zes uur. Het lijkt veel, doch wanneer zij daarvan hun kostgeld en slaapgeld betaald hadden, bleef er niet zoo heel veel over. En dan de dagen dat het slechte weer hun verhinderde op straat te zingen en te spelen!

Een van de mannen ging een aflevering van een colportage-roman lezen. Doch hij wierp het boek weer spoedig neer.

„Bevalt het niet, stumperdje ?” vroeg de waardin.

. „Hou toch op met je weerzinwekkend geklets van stumperdje. ’k Ben geen stumperd. ’k Verdien genoeg om mijn buik te vullen, dan ben je geen stumperd, dan ben je in deze tijden nog een uitverkorene.”

Hij sprak zijn grove taal vermengd met eenige woorden, die hij uit zijn boek had onthouden.

,,’t Boek is niet slecht,” ging hij kalmer voort, „maar ’t is weer zoo schrikkelijk onwaar. Ze gooien er in met millioenen of ze ze voor ’t grijpen hebben. Allemaal leugens., Die de centen hebben, houwen ze vast en als je arm geboren wordt, blijf je arm of er mot een mirakel gebeuren. Mijn vader heeft goed zijn verstand, hij is ook maar net als ik een gewone zwerveling, maar daarom kan jij toch je verstand wel hebben. Hij zegt, al- ik oneerlijk had willen zijn, zou ik nou eigen huizen gehad hebben. En omdat ik eerlijk ben geweest, ga ik als een l...s mijn graf in.

’t Is op ’t oogenblik nou weer een beetje goed, omdat we met zijn vieren zijn. Maar ’t is toch een zuur stuk brood, ’t onze.” Hij ging naar ’t voorkamertje, waar de twee vrouwen en de andere harmo-nica-speler al aan tafel zaten.

„Geef die man ook een kwak. Hij zal vandaag ook geen ommelet met uiesaus hebben gehad.”

De waardin zette den potlepel in den pot en kwakte op een schoteltje een hoopje zwart-paarse rooie kool en bracht dat mij.

„Dank u,” zei ik, het meteen achter mij neerzettend.

„Vreet-ie niet ?”

„’t Is mij nog te warm,” zei ik.

Het oude vrouwtje met de zeere oogen bracht mij tusschen haar vingers een stukje vettig vleesch en lei dat op ’t kwakje roode kool. De vrouw van den Duitschen muzikant kwam binnen. Ook zij kreeg een kwak roode kool uit medelijden van de harmonica-spelers.

De donkere man met zijn Limburgsch accent was aan de tafel bezig aan ’t vertellen. Ik kon weinig verstaan, daar hij te ver var» mij zat. Het was een verhaal van avonturen in een kermiswagen... „En toen bond ik de honden los en opeens sloeg de wagen op zijn. twee wielen naar achteren en alles zoo er uit, zij door mekaar en de stoelen en de ketel en een kacheltje. En toen zij me te lijf, maar ik had mijn mes klaar en dat zagen ze en toen dorsten ze niks, maar ze begonnen te lamenteeren, waarom as ik dat gedaan had en ze deden mij toch ook niks en die flauwe kul meer. Maar ik zei, als dat heb je nou van mij en as je je beesten nou nog is zoo temteert,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.