139
bescheid. Want eenige waarheid stak er in en een politie-bureau kan nu eenmaal geen conversatie-salon zijn, hoewel ik toch de vraag van den Duitschen muzikant billijk vond. Wij leven wel-is-waar niet in het land van kokanje, vooral nie tin de politie-wereld, maar toch moet als principe op den voorgrond staan, dat zooveel mogelijk de gevoelens gerespecteerd worden van den arme, vooral van den arme, die immers weerloos is. Maar ik wil dit Haagsche politie-bureau niet met een klacht verlaten. Integendeel, ik bied nederig mijn vriende-lijken d3nk en mijn bewondering aan voor de. heusche en welwillende behandeling, daar van meerderen zoowel als ondergeschikten ondervonden.
En indien vermogende of invloedrijke lezers dit met mij eens zijn, hoop ik, dat zij er het bewijs van zullen leveren door er voor te zorgen, dat de agenten in de uren, dat zij in hun kamer moeten wachten, eenige opvoedende lectuur ter beschikking hebben. Dit mijn boekske heb ik als eerste nummer voor hun bibliotheek aangeboden.
Wij stonden aan de deur. Ieder onzer met een agent naast zich.
„Muziek voorop,” zei ik tot den cither-speler, hem met beleefd gebaar uitnoodigende vooruit te gaan.
Doch de agent nam mij bij den arm en gebood mij voort te gaan.
En zoo, op een prachtigen winterdag, trokken wij vijven, twee agenten, de cither-speler en mijn hinkende mysterieuse persoonlijkheid dwars door Den Haag naar het Alexanderplein, en verder achteraan de weenende vrouw.
Wij hadden,nogal bekijks en een enkele jongen zei gemoedelijk leuk : „Daar gaat Paljassie.”
In het groote politie-bureau op het Alexanderplein liet men de vrouw niet toe.
Wij beiden werden eerst naar een zaal geleid, waar voor een balie opnieuw onze naam, beroep, leeftijd en plaats van herkomst werden gevraagd. Daarna werd ik afzonderlijk in een kamer gebracht, waar een heer mij weder dezelfde vragen deed.
Ik meende, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.
„Ik heb hier iemand, die mij helpen wil,” zeide ik.
„Wie is die persoon ?” vroeg mij de ondervrager.
„Ik kan u zijn naam wel opschrijven,” zeide ik, „als u mij maar papier geeft.”
Men gaf mij een blaadje papier. Ik schreef er op:
„Geachte Heer. Mijn naam is niet........., zooals ik opgaf en
evenmin ben ik zonder middel van bestaan. Mijn naam is B. Canter, ik ben medewerker aan het Dagblad „De Telegraaf’ en heb mij vermomd om studiën van het bedelaars-leven te kunnen maken. Een onderhoud onder vier oogen zal u alles ophelderen.”
Ik reikte het papier aan mijn ondervrager over. Hij las het, keek mij even aan en gaf toen kalm bevel hem met mij alleen te laten.
Ik stond dadelijk rechtop, zonder mijn kruk en lichtte mijn briefje toe.
„Welnu, gaat u dan zoolang in de wachtkamer der agenten beneden; ik zal den hoofd-commissaris omtrent u inlichten.”