langs velden en wegen zwerft met de blauwe lucht boven, dan heeft
men tijd om te peinzen, te denken, te droomen en......”
„Wat kunt u voor hem doen, mijnheer Opdenberg,” vroeg de commissaris kort, om mijn woordenstroom af te breken.
„Ja, ik kan hem een gulden geven. En als hij vanavond bij mij thuis komt, zal hij aanzitten aan mijn tafel en... en... en... daar ik zal zorgen, dat hij reisgeld krijgt ook...”
De goedhartige man zag mij haast smeekend aan, om mij toch tot de aanneming van zijn aanbod over te halen. Hij scheen te vermoeden, dat ik toch niet een bedelaar van de gewone soort was. Maar ik bleef onverbiddelijk.
„Ik accepteer niets van de kerk...”
„Nu, dan maar naar den hoofd-commissaris.”
En de barsche brigadier geleidde mij weer naar beneden.
De cither-speler werd opgeroepen. Hij kwam kort daarna terug. „Nu ?” vroeg ik hem.
„’k Moet naar den hoofd-commissaris.”
„Ik ook. Dan gaan wij samen.” •
„Maar mijn vrouw ?”
„Die moet ook maar meegaan. Misschien wordt zij binnen gelaten.”
„Zou er geen mogelijkheid zijn, dat ik een agent in burgerkleeren meekreeg. Want als ze mij naast een agent zien loopen, zullen zij denken, dat ik een misdaad heb begaan en als ik nog eens vrij kom, zou ik hier geen Stelle meer vinden. Ik schaam mij zoo.”
„’k Zal ’t eens voor je vragen.”
„Mijnheer,” zei ik tot een agent, „zou er geen mogelijkheid zijn, dat deze man iemand in burgerkleederen naast zich kreeg? Hij is bang, dat de menschen zullen denken, dat hij een misdaad heeft gedaan. En wij hebben toch niets anders op ons geweten, dan dat wij arme drommels zijn.”
„Zoo,” zei een agent barsch, „dus achten jelui je nog hooger dan een agent, dat jelui niet met ons willen loopen...”
„Neen, zoo moet u ’t niet opvatten. Maar de menschen zouden denken...”
„U moet dat vóór maar vragen,” zei een ander agent welwillend. De barsche brigadier kwam ons haler*, beval ons, zijn vervaarlijke snor optrekkend met de lip, hem te volgen, bracht ons weer naar de inspecteurskamer.
„Ik kreeg mijn paljassen weer en mijn pakje koopwaar, mijn geld, mijn postpapier, mijn potlood en mijn stukjes krantenpapier.
„Mijnheer,” zeide ik tot een der inspecteurs, „deze man kan zich moeilijk uitdrukken, hij is Duitscher. Maar hij verzoekt mij u te vragen of hij, om opzien te vermijden, ook een agent in burgerkleederen naast zich kan krij......”
„Pak nou maar gauw je boeltje bij elkaar en vooruit. Wij verstaan hier ook Duitsch en als die man wat te vragen heeft, kan hij ’t zelf doen...”
Ik ging de kamer uit, in ’t geheel niet vertoornd over het norsche