137
ontmoeting met een man zonder cent, die niet door de kerk wenschte ondersteund te worden.
„Jelui geloofsgenooten doen meer voor elkaar dan mijn geloofs-genooten,” zei de cither-speler. „’k Wou, dat er iemand kwam, die mij een paar thaler aanbood. Waarom kon die herbergier niet komen. ’k Ben toch een fatsoenlijk man en ’k heb toch een vak.”
Wij bleven wachten tot half tien. Toen werden de vier jongens door een agent gehaald.
„Mee jongens, naar ’t Alexanderplein.” De vier jongens volgden den agent. Vijf minuten later was er rumoer in de gang. Een huilende jongensstem zei: „Ik heb het niet gedaan, mijnheer. Ikke niet, huhuhu...”
De jongen kwam binnen. De agent vertelde, dat de vier jongens bij den hoek van een straat plotseling, als bij afspraak uit elkaar waren gestoven en hard waren weggeloopen. Eén had hij er slechts kunnen pakken; de drie anderen waren ontkomen.
De andere agenten meesmuilden. Ik kon mijn lachen ook niet bedwingen.
„Dat hebben jelui vannacht afgesproken, smeerlap. En jij zei nog wel, dat je zoo blij was, dat je van de straat af was en dat je naar je ouders toeging.”
„Hu, hu, hu, ik heb het niet gedaan,” huilde de jongen.
„Daar heb je sinjeur No. 2.” De tweede jongen werd door een agent binnen gebracht. De twee anderen waren niet meer te achterhalen geweest.
„Nou zal ’k jelui weer wegbrengen. Ik moest jelui eigenlijk met kettingen aan mekaar binden. Pas op nou hoor, want als ik ook maar iets merk, krijgen jelui de boeien aan.”
En de agent bracht zijn twee geredde schaapjes weer weg.
Ik werd opgeroepen om voor den commissaris boven geleid te worden, ’k Strompelde de trap op en werd door een zeer barschen brigadier, een figuur voor een operette, de kamer van den commissaris binnengebracht. Daar stond reeds de heer Opdenberg.
,,U heeft geen middelen van bestaan?” vroeg de commissaris.
„Mijn koopwaar, mijnheer.”
„Hoeveel is zijn koopwaar waard, mijnheer Opdenberg?”
„Een kleine twaalf duizend gulden,” schertste deze en liet er dadelijk op volgen : „Een groote twaalf cent, alles bij elkaar.”
„En heeft u geen contanten?”
„Veertig cent, mijnheer. Maar als ik vandaag kan handelen, kan ik vanavond wel een gulden hebben.”
• „En wat kunt u voor hem doen, mijnheer Opdenberg?”
„Ja, de man wil geen geld aannemen. Hij zegt, dat hij vrijdenker is.”
De commissaris keek mij aan met een zweem van een glimlach om den mond.
„Vrijdenker? Wat bent u dan? Misschien materialist?”
„Mijnheer de commissaris, het is hier nu niet de geschikte plaats om philosophische vertoogen te houden. Maar als men, zooals ik,