12 I
zijn broodjes klaar, pelde de twee, reeds gekookte, eieren, verwende hem. Maar ’t ging zwijgend.
„Das ist auch ein Landsmann,” zei de jonge waardin, op mij wijzend.
De jonge Duitsche vrouw keek mij wantrouwend aan. De cither-speler richtte het woord tot mij :
„Woher kommen Sie denn? Sind Sie Berliner?”
„Nein, ich komme aus Warschau.”
„Sind Sie schon lange hier?”
„Acht Tage, aber ich verreise wieder bald, schlechtes Geschaft hier.”
„Aber schweige doch, Wilhelm...”
„Weshalb denn?”
„Ein Schnorrer...” zei ze verachtelijk zich van mij afkeerend.
Ik stond op, nam mijn kruk, ging de straat op.
„Eet je hier mannetje-lief ?” vroeg de waardin.
„Wieviel ?” vroeg ik.
„Drei stuivers,” zei de jonge waardin.
„Gut,” zei ik, heengaand.