Twee weken bedelaar

Titel
Twee weken bedelaar

Jaar
1900

Pagina's
178



„Da, kom, vooruit!”

„’k Heb geen zin vandaag.”

Uit de keuken kwam een schrale, lange man, met ros, sluik haar en kleine nijp-oogjes onder kriegele wenkbrauwen. Hij droeg een harmonica onder den arm en volgde de twee, die weggingen.

„Da, kom, vooruit,” zei de magere man.

De meid stond traag op. Hij gaf haar een stomp in den rug.

„Jij zou wel willen, dat ’n ander zich schor schreeuwde, as jij maar in ’t hok kon blijven.”

„’k Ben zoo lekker lui,” zei ze geeuwend met een grooten geeuw en langzaam de deur uitgaande.

„’t Is me een gedoetje, die vier,” zeide een magere jongen, die met den rug naar mij toe aan een klein tafeltje zat. Hij had een rol rood koperdraad bij zich liggen en boog daar met een tangetje rottenvallen van.

„Die Da is me d’r een,” lachte de jonge waardin. „Maar ze weet, dat ze d’r noodig hebben, ’t Is een knap stuk vrouwmensch.”

„Dat is ze vast, maar ze weet het ook. Ze is te lui om d’r eigen beweging te dragen.”

„Ze halen een hoop geld op met d’r vieren. Je mot is zien, as ze daar straks thuis komme. Ze deelden gistermiddag vijf gulden met mekaar.”

„Zoo mot je ’t anlegge. A/sse ze in de straat komme met z’n vieren, is ’t compleet kermis. En ze hebben goeie stemmen ook.”

„’t Zijn comedie-zangers as je ze hoort.”

De jongen ging sprekend voort met het buigen van ’t koperdraad. Het was toen een kwartiertje stil.

„Mie,” zei de jongen, zich tot de jonge waardin richtend, „wa’s dat voor een Duiser, die met z’n vrouw hier is gekomme ?”

„Nou, die hebben cente zat. Je mot is zien, hoe hij d’r uitziet. Tof hoor. Met een groen broekkie en lange zwarte kousen en lage schoenen en een groen hoedje op met een haneveer, tof hoor. Gisteravond heeft-ie in een moffencafé gespeeld en hij kwam met een zak zilver thuis. Toen-ie me betaalde, had-ie een handvol kwartjes en dubbeltjes, bepaald een groote vier gulden. Nou, en dat op één avond.” „As je ’t maar an weet te pakke.”

„En zij is te fijn om hier bij ons te eten. Ik most drie cente witte suiker voor d’r halen en een dubbeltje worst en een kwartje boter en fijntjes. Een tof boeltje hoor. Daar heb je ’m...”

„Mójen,” zei een jonge blonde man, in een tyroler costuum van groen laken met een gordel om ’t midden, waarop zijn initialen waren geborduurd.

Hij legde een cither vlak bij mij op tafel, ging een eindje van mij af zitten.

Hem volgde een jonge vrouw, verlept, vuil, leelijk. Zij droeg een rieten spoormandje, zette het naast de cither, deed het krakende dekseltje open en haalde er een paar broodjes, een paar eieren, een papiertje met kaas, een papiertje met ham en een stukje spek uit.

De twee gingen samen zitten ontbijten. Zij bediende hem, maakte

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.