schen en droogde zijn nek met een klein, bont handdoekje na.
Hij had een dikke, zwarte snor, prachtige, levendige donkere oogen en zwaar dik haar, den kop van een Hongaarschen stalmeester uit een circus.
„Da, geef mii de kam is en een brok spiegel.”
„Laat Leen ’m maar geve. Je ziet toch wel, dat ik vreet.”
„Jij altijd met je snaaien. Geef de kam, luie.........”
Er volgde een reeks vloeken.
De jonge meid, ’k schat haar op negentien jaar, stond traag op, ging naar een kist, die onder een tafel bij ’t raam stond, haalde er een stuk kam uit, gaf het aan den vrager.
„Wat is die kam weer smerig. D’r zit een bos haar in.”
„Die^ van Leen.”
„Dat lieg je, die’s van jou, ’k zie ’t an de kleur. As je te lui ben om je pooten op te lichten, laat ik daar, maar gooi de schuld niet altijd op een ander.”
Da, weer lui neergevallen op den stoel, ging opnieuw aan ’t snoepen. Zij ging weer in haar zijzak en haalde nog een handvol Cura-9aosche amandelen en suikerballetjes te voorschijn.
Het zesjarig meisje kwam met den paljas naar haar toe.
„Kijk is tante, dat heb ik van die daar gekrege enne krijg ik nou van u een nootje ?”
„Ga weg,” zei de meid, het kind wegduwend en daarna lui omziend, keek ze mij aan met een lodderigen, luien blik.
„Wat zalle me nou hebbel” zei ze.
Meteen schokte een hik door haar borst.
„Bah,” zei ze, „je krijgt van die rotte dingen ’t zuur. Hier, eet maar op.”
Het kleine meisje nam het overschot van de mangelen in ’t handje met de graat der bokkinkjes.
Zij liep langs den wagen en ging naar ’t manke jongetje, dat nog altijd wezenloos op den stoel zat. Dat greep de graat het eerst en bracht die naar den mond.
„Gooi weg, sm...rlap. Mot je opvrete wat ’n ander uitspuugt. Gooi weg of ik zal je......”
De jongen liet de graat vallen.
„Geef mij een nootje,” bedelde hij bij zijn zusje.
De moeder stond op, ging naar den jongen, pakte hem bij den schouder, sleurde hem mee naar de deur.
„D’r uit en niet voor vanavond er in. En pas op, as je smerig thuis komt.”
Ze kwam weer terug, ging bij den kinderwagen zitten. Het kind, dat er in lag, was in slaap gevallen. De vrouw begon te breien.
De man met de donkere oogen had zijn haar opgemaakt, knoopte een blauw-zijden doek om den hals, deed een blauw duffelschen jekker aan, zette een muts van martervel op. Hij bekeek zijn gelaat ijdel in een stuk spiegelglas.
„Vooruit met de berzie!” zei hij. Hij nam een harmonica op, Leen volgde hem.