ik te half acht wakker werd, was de zolder zoo goed als verlaten. Ik kleedde mij aan, ging naar beneden.
„O, ben je daar. Kom hier, stakkerdje, hier is je thee.”
De jonge waardin zette een spoelkom met bruin vocht voor me.
Ik knikte dankbaar en bleef apathisch zitten en nam de gasten eens op.
Over mij aan een tafel zat een jonge vrouw, netjes burgerlijk gekleed met in een kinderwagentje een kind, dat zij door den wagen op en neer te trekken in slaap poogde te sussen. Een klein meisje van zes jaar stond, met een snee brood in de hand, tegen haar aangeleund. Het kind zag er blozend en gezond uit en had een helder bont boezelaartje voor. Dichter bij de kachel stond een jongetje van tien jaar, mager, geelbleek.
„Kromme, geef mij mijn breikous eens an,” zei de moeder.
De jongen liep naar ’t voorkamertje. Ik zag nu, dat hij een vergroeid been had en een beugelschoen met een dikke zool droeg.
De jongen kwam met een breikous en een bai sajet terug, doch toen hij mij zag en de paljassen, die ik op mijn borst had hangen, vergat hij zijn boodschap, liet den bal sajet vallen, die in een bruinaarden spuugbakje terecht kwam, dat bij den poot van de tafel stond en idioterig naar de gekleurde poppen ziende, zeide hij :
„O, piasse, o piasse!”
„Kom hier, kromme. Zie je niet, dat je de kluwen in de derrie laat valle...”
„O, piasse !” zei ’t knaapje nog altijd verrukt.
Ik nam een der poppen en gaf haar ’t knaapje, ’t Kind pakte de pop niet aan, maar scheeloogde schuw naar zijn moeder.
„Kom hier, manke rekel, mot je me altijd sarren. Geef öp de kous.”
Het knaapje nam de pop aan en ging met pop en kous naar zijn moeder. Het kluwen sajet rolde af in ’t vieze spuugbakje.
„Kijk zoo’n smeerkanis me kluwen late legge. Geef hier je pop. Zoo, hier, an je zussie. Ga maar spele hoor. En jij leelijke gemeene lummel, breng de kluwen hier.”
Zii gaf het kind een vuistslag op ’t magere hooge schoudertje, stompte hem in den rug. De jongen liep traag naar den bal sajet, haalde dezen uit ’t bakje, bleef besluiteloos staan.
Het meisje kwam met de pop in de hand naar mij toe loopen. Zij zag ook de andere poppen, die op mijn borst hingen.
„O, wat prachtig. Hè moe, wat prachtig,” zei ’t kind verrukt. „Kijk is moe, kijk is.”
„Ja engel, dadelijk hoor. Smerige mankpoot, mot je mij nou zoo dat kluwen geven ? Daar, daar... nou kom hier, je mot ’r nog een hebben... Hier, zeg ik je, manke......”
Vloekend sloeg ze het kind met de vuist op de schouders, den rug, de borst, haar drift om den besmeurden bal sajet koelend op ’t weerlooze kind, dat de slagen dof verdroeg.
„En nou daar op die stoel en as je je nog is beweegt, zal ’k je een doodslag geven. Wat ben je... ?”
„Hu, hu, hu... moeder!”