Twee weken bedelaar

Titel
Twee weken bedelaar

Jaar
1900

Pagina's
178



„’k Heb nog wel een eindje sigaar,” zei ik.

Ik rookte nu en dan een sigaar. Maar om te voorkomen, dat deze weelde verdacht zou worden, droeg ik altijd een paar sigaren, even aangestoken en weer uitgedoofd, in een zakje bij mij en een van deze sigaren haalde ik uit den binnenzak van mijn jas en gaf hem die. „Geef me nou ook nog een vlammetje, dan ben jij de beste.”

Ik gaf hem een lucifer. Hij deed een paar trekjes, ging op den rand van ’t bed zitten met de dekens over zijn beenen.

„Zit ook is op meester. Je leit ’r zoo vroeg bij.”

„Ik ben moe,” zei ik.

„Nou, hou je even stil.”

Hij liep zachtjes over den vloer en ’k zag hem langs de bedden sluipen tot ’k hem in ’t donker1 niet meer kon onderscheiden.

Na eenige oogenblikken kwam hij terug.

„Sjuut,” fluisterde hij. „’k Heb de knaap.” Hij toonde mij een apothekersfleschje met een bruinen drank.

Hij ontkurkte ’t fleschje, nam er een slok uit.

„Nou jij, maar tot hier.”

„Ik kan ’t niet drinken, ’k Heb een maagziekte.”

„Even goeie vrinden. Dan ik nog maar een slokkie. Hè, dat warmt.”

Hij sloop weer weg met ’t fleschje en kwam spoedig weer terug. „Waar had je dat vandaan?” vroeg ik.

„Dat gaat je geen verd...s an. Jij hebt daar een mooie broek an je pooten. Zeker een krijggie?”

„Ja,” zei ik, haastig mijn beenen onder de dekens trekkend. „Van een mevrouw......”

„Hou je maar niet zoo fijn, mevrouw.”

Hij vloekte eenige malen en zei dan:

„Doe die broek is uit. Dan zal ’k is kèke of-ie mijn past...”

„Dan hou ik zelf niks.”

„Doe ’m nou maar eerst uit,” zei hij dreigend.

Ik nam mijn kruk, die rechts van mij tegen den stoel stond en liet hem die zien.

„’n Mooi krukkie,” zei ’k tegen hem. „Wil je wel geloove, dat as ik den boer op ben, ik daarmee een hond met één slag naar de verd...s help...”

Hij keek mij met harde, scherpe, blauwe oogen aan. Ik keek hem ook dreigend aan.

„Nou, hoeveel mot je voor die broek hebbe?” vroeg hij, minder moedig.

„Dit krukkie,” ging ik voort, „is nou net acht jaar oud. Maar kijk nou is, ik wil d’r geen nieuwe voor hebbe. Dat ’s echt hout, zie je en dat ’s een wapentje, waar je een man met een mes mee staat.” Hij wilde de kruk vastpakken.

„Afblijven,” zei ik. „’k Heb ’m altijd bij me. Ik heb een bevroren poot en daarom kan ik met mijn handen niet veel. Maar as ik dat krukkie maar heb, heb ik lef genoeg om twee kerels te staan...”

Ik lei de kruk naast mij in ’t bed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.