’t kopje naar ’t gelaat bracht en den stank rook, van ’t vocht te drinken. Daarom trok ik een pijnlijk gezicht, zette het kopje neer en zei: „’k Kan nicht trinken. Magenkrank..
„Nou stakker, warm je maar hoor,” zei de groote, jonge vrouw, naar ’t voorkamertje gaande.
Ik was geheel alleen in de gelagkamer, een holle, vierkante ruimte met wanden van grauw, van vochtaderen doorloopen behang. Ik wachtte nog een poosje.
„Zit je daar nog, mannetje? Wil je niet gaan slapen?”
Ik knikte toestemmend.
„Nou, dan zal ik je wel naar bed brengen, hoor. Hier de trap op, dan de tweede trap en daar wacht je me maar, dan zal ik je wel komen helpen.”
Ik liep de trap op, die zich bevond in ’t gangetje naast de voorkamer en kwam boven aan de tweede trap op een grooten, ruimen zolder, waar, naar mijn schatting, een dertigtal bedden stonden. De zolder werd verlicht door een klein petroleumlampje bij het trapgat op den grond staande, maar door een raam aan de voorzijde en één raam aan de achterzijde kwam eenig licht binnen van de straat.
Ik wachtte bij het trapgat en keek rond naar een leeg bed. Maar alle waren bezet, naar ’t mij toescheen.
De jonge vrouw kwam nu boven en zacht ook.
„Kijk is, stumpertje, daar heb je een lekker warm vlooiemandje. Kruip ’r maar goed onder hoor. Wil je nou betalen of morgen ochtend? D’r is anders geen haast bij.”
„Hoeveel?” vroeg ik.
„Nou, dat weet je toch wèl. Een kwartje...”
„Een kwartje!” zei ik, schijnbaar verontrust en verbaasd.
„Ja mannetje, één kwartje. En morgenochtend krijg je weer een kannetje koffie of anders een kannetje thee, as je pijn in je maag heb. Nou, dank je. Goeien nacht.”
Zij had het kwartje aangenomen en mij een bed aangewezen. In de schemering kon ik niet zien of ’t zindelijk was. Ik sloeg de dekens op, stak een lucifer aan en bekeek het bed. De lakens waren schoon, voorzoover ik bij ’t zwakke houtvlammetje zien kon en toen ik mij, half ontkleed, te bed had gelegd, vond ik het bed naar den prijs niet kwaad. Er lagen twee dekens op. ’k Had een goed hoofdkussen en ’t ligbed was met zeegras gevuld.
Kalm en rustig liggend, hoorde ik de ademhalingen van de andere slapers. De zolder was hoog, het dak liep driehoekig toe, doch de pannen waren met hout beschoten. Er stond een raam aan de achterzijde een eindje open en ik voelde de frissche nachtlucht langs mijn gelaat tochten. De lucht was vrij frisch. Alleen verwonderde ’t mij, dat hier niet, zooals in ’t vorige logement, gordijnen om de bedden hingen. Er was evenwel een stoel, om mijn kleeren op te leggen.
Ik lag stil en hoopte in slaap te vallen. Doch op het bed naast mij, een stoelruimte verder, lag iemand zich om en om te woelen. Hij richtte zich overeind en, zich tot mij wendend, zeide hij :
„Heb je ook een blaadje voor mii, meester?”
8