voor de oogen van zijn meisje een weldaad, zij ’t ook een ondoordachte en bescheidene te verrichten.
Doch hoe bleek ik mij vergist te hebben. Het liefdesgeluk is een zeer egoïstisch genot, naar ’t mij nu toeschijnt. Verliefde lieden zijn als kinderen, zij denken alleen aan zich zelf, vragen alles voor zich.
Het eerste paartje was deftig gekleed.
„Mijnheer,” zeide ik naderend, „koopt u wat papier van mij. ’k Heb nog geen geld voor een nachtverblijf.”
Hij drukte haar steviger en liep sneller door, wendde het hoofd, deed alsof hij mij niet hoorde.
Van het tweede paartje, dat ik op dezelfde wijze aansprak, bleef het jongmensch even treuzelen.
„Loop dóór asjeblieft,” zei ’t meisje, hem meetrekkend.
De derde maal scheen het, dat ik meer succes zou hebben.
„En hoeveel mot je dan hebben ?” vroeg de man.
„Een dubbeltje mijnheer, alsjeblieft.”
„Dat lieg je smeerlap. Je kent voor ’n stuiver slapen. Omdat je liegt, krijg je niks. Vooruit, d...nder op!”
Tien menschen hield ik dien avond aan, hun smeekend iets van mij te willen koopen. Alle tien weigerden. Ben ik dien avond bijzonder ongelukkig geweest? Is de Zondagavond weinig geschikt voor liefdadigheid? Het is moeilijk aan te nemen, dat de menschen over ’t algemeen zoo hardvochtig zijn. Ik wil liever aannemen, dat zij den laten-avond-schooier per se voor een bedrieger houden. Maar als zij meenen, dat hij ook zonder bedelen een goed onderdak kan krijgen en dit hen weerhoudt, laat ik hun dan zeggen, dat zij zich vergissen. Doch ik mag niet op mijn verhaal vooruitloopen.
Toen ik in de gelagkamer terugkam, men nam van mij geen notitie meer, bemoeide zich niet met mii. was ’t ondanks het vrij late uur nog vol.
De besteller zat drie kinderen, Jantje, zijn zusje en nog een meisje, verhalen te doen en de mannen luisterden mede.
„... En dan heb je de drupkamer, daar zat je onder een lek in den zolder en dan pats, daar viel een droppel op je test en dan pats, daar had je de tweede te pakken en zoo maar door.”
„Enne kon je dan niet van je stoel ?”
„Daar zat je aan vast getakeld met touwen ter dikte van een mans-arm en kettingen om je beene en kettinge om je polse, zoodat je je niet verroeren kon. En dan wer je krankzinnig, want op zijn laatst was het met elke droppel of je een slag met een hamer op je hersenkas kreeg en ze hebben d’r kerels gevonden, die hadden van de droppels een gat in d’r hoofd, door het been heen...... Nou, gaan jelui
nou naar bed.”
„Hè nee, nee, vertel nog wat. Nog één ding.”
„Nou, en dan had je de hongerkamer en daar werd je in opgesloten en dat was net bij de keuken en dan kreeg je de reuk in je neus van alles watte ze daar braaiden en jij kreeg niks. En de eerste dag ging het, maar de tweede dag begonnen ze al te piepen en de derde dag hoorde je ze brullen als wilde dieren van de honger en de vierde