96
„Wat zee je ?”
„Niks, niks, la-me los, la-me los. Ik zee niks.”
„Je zee wel wat, vuile............ wat lèt me of ik geef je een......”
Het vrouwtje, ontdaan het middenpunt van een troep straatjongens te zijn, ging weg. Ik bleef, om haar gelegenheid te geven weg te komen, bij de jongens en zei op den jongen, die looddief had gezegd, wijzend : „Die heit me met een pruim gegooid!”
„Nou,” zei de tweede slungel in witte hemdsmouwen, „hij doet je nou toch niks meer. Donder nou maar gauw op...”
„As ik wil!” zei ’k onwillig, maar meteen den welkomen raad volgend.
Het vrouwtje was den hoek al om en een eindje verder op de brug. Ik volgde haar op een afstand en een eindje over de brug liep ik wat sneller en haalde haar in.
„Ben je daar al weer?” zei ze, nog altijd ontdaan.
„Ja juffrouw. Je hebt je geld nog niet teruggenomen.”
„Mot ik dat terugnemen? Is ’t soms niet genoeg, brutale vent?” „’t Is te veel juffrouw. Ik ben maar een arme schooier, maar ik laat mij niet in me eer tasten. U zeit, dat ik goed loopen ken en ik ken niet goed loopen. As u gelooft, dat ik goed loopen ken, moet u uw geld maar houden.”
„Zoo’n vreemde bedelaar as jij ben heb ik van mijn leven nog niet gezien ; zoo oud als je wordt, leer je altijd nog wat. Maar je liep toch die jongens achterna...”
„Zooals ik u zei, omdat ik in drift was. Dan kan een mensch alles. U zou, omdat ik u scheen te bedriegen, voortaan niets meer weg-geve...”
„O neen, dan had ik al dadelijk moeten ophouden, ’k Zeg maar: Een aalmoes dwaalt niet! Maar hou nou maar dat vierduitstuk en ga nou maar heen mannetje. Als je ’t zoo astrant zegt, zal ’t wel waar zijn.”
Ik sloeg aan aan mijn hoedrand en ging terzijde. Zij keek mij nog even aan, riep mij weer terug.
„Kom hier. Wacht nog eens.” Zij haalde weer haar knipje voor den dag en haalde er nu een dubbeltje uit.
„Hier heb je nog wat. Ik weet niet wat ik an je heb. As ik mijn bril ophad, zou ik je beter kunnen zien. Zoo’n rare bedelaar heb ik nog nooit ontmoet. En je spreekt, mannetje, as een schoolmeester. Je bent toch geen schoolmeester geweest?”
„’k Zal u liever niets zeggen van wat ik geweest ben. Maar hier heeft u een pakje postpapier en hier nog een pakje enveloppen. „Ik ben koopman, maar ’t gaat slecht met de negotie...”
Ik liet haar met mijn kleine gave in de hand staan en hompelde, telkens met mijn kruk bonzend op de steenen, weg. Ik geloof, dat zij mij weer nariep, maar ’t kan ook wel zijn, dat dit het nasuizen was in ’t oor van de eerste maal, dat zij mij riep. Doch ondanks den humor, die er in mijn toestand lag, hinderde mij dit tooneelspel tegen dit goede mensch terdege. Zoo ook de omstandigheden de middelen heiligden, er was ditmaal in ’t gebruik dier middelen iets, dat mij