71
(Amiante en de medetoeschouwers applau-diseeren, het scherm rijst, de spelenden vormen een tableau-vivant.
Dan treedt Jan Klaassen alleen naar voren en wendt zich tot Amiante:
JAN KLAASSEN.
Dit, edele vrouwe, is geweest het droevige spel vol vroolijkheid. Gij kunt het ook een vroolijk spel vol droevigheid noemen. Het vroolijke is de bron van alle droevigheid en elke lach op dit ondermaansche is het begin van een traan. . . . Indien uwe edelheid tevreden is, ben ik ook tevreden, even tevreden als op een betaaldag.
(zijn muis afnemend en haar omgekeerd voor Amiante ophoudend).
AMIANTE.
Mijn beste vriend, mij dunkt uw stuk was droef,
Want ’t ideaal, eerst hoog door u verheven,
Zag ik verwonnen door het lage sneven,
En gij beloofdet mij toch een moraal.
LIANE.
Ja, heer, zoo vroolijk als uw spel ook scheen,
Ik vrees, het schokte hier toch menigeen.
(tot Amiante).
En al te vaak bij ’t spel, mijn Amiant’,
Voeld’ ik Uw smart door ’t beven van uw hand.
(Amiante geeft Liane dankbaar de hand).
JAN KLAASSEN.
Wat de moraal aangaat, edele vrouwen, gij moet haar in een goed stuk weten te zoeken als de kern in de pit van een perzik.
RIJKLOF.
Om die te kraken behooren sterke tanden.