185
RUITENVROUW
Mijn allerliefste brave man, ik weet,
Ik ben in het verloop des tijds niet steeds, Geweest zoo je mij je hebt voorgesteld,
Toen wij in jeugd elkander echt beminden,
En ’s avonds koosden onder ’t loof der linden.
RUITENHEER
Neen, lieve vrouw, de schuld lag meer aan mij, Maar voortaan wijk ik niet meer van je zij,
De dure eeden, waarmee ’k eens je trouwde.
Die zal ik voortaan liefdevol gaan houden.
RUITENVROUW
Zoo ik, mijn allerliefste, brave man.
RUITENHEER
Wat niet zoo'n droom een mensch verandren kan. Derde Tooneel. Schoppenheer. Schoppenvrouw, SCHOPPENHEER
Ik weet niet, wat mij heden heeft bevangen,
’k Ruik lindebloesem en hoor vogelzangen.
En 'k zie jou lieve vrouw omstraald van jeugd.
SCHOPPENVROUW
En ik zie jou als held vol moed en deugd.
SCHOPPENHEER
Hoe liefste blijft het schamper lachen uit?