186
Heb ’k niet in droom alleen je weergevonden.
Maar is dit alles zoete werklijkheid ?
SCHOPPENVROUW
Zoet is de werklijkheid op onze jaren.
Wanneer twee menschen eikaars hart hervinden.
En voortaan blijven eikaars trouwste vrinden.
Vierde Tooneel
Koning. Koningin.
KONING
Mij was het vaak, wanneer ik schreed met schepter, De kroon op ’t hoofd, ’s rijks appel in de hand, Terwijl het volk van alle kanten juichte,
Dat ’k in een loozen droom slechts koning was,
In waarheid maar een arme sterveling,
Afhankelijk van den wil eens hoogen Gods.
Maar nu, die droom van purper, hermelijn,
Schijnt mij een tastbre werklijkheid te zijn,
Bij 't geen ik thans beleef — zeg mij, dat ’k waak.
KONINGIN
Neen — zeg dat mij — of laat ons droomen blijven, Want wel was het een zoete droom, dien ’k had 1
KONING
Hadt gij een droom, juist zooals ik wellieve ? KONINGIN
Gij deeldet waarlijk in mijn droom, mijn liefste.
Ik zag u, zooals ik in jeugd u kende.