95 •>
Hans had notaris den Tiel eerlijk verteld, dat zijn moeder geen toelage meer kreeg van de familie, sedert hij Willemsoord had verlaten en dat zij zeker geen toelage zou krijgen van de familie Wentinck, ais bekend werd dat hij tot tooneelspeler zou worden opgeleid. Den Tiel had geantwoord, dat hij eens zou informeeren of er geen beurs voor jonge tooneel-spelers bestond en wat er verder gedaan kon worden. Hans had mevrouw den Tiel dat antwoord medegedeeld, terwijl hij met haar in haar pruilhokje zat.
„Maak je maar niets ongerust. Den Tiel is rijk genoeg en waaraan zou hij zijn geld beter kunnen besteden, dan aan het tooneel.”
„Moeder zou nooit ondersteuning aannemen van vreemden. Zij zoü liever kamers gaan verhuren.” „Wij zullen het wel zoo schipperen, dat je moeder het niet voelt. Ik zal zorgen, dat jij eenige lessen kunt geven in wiskunde en talen en daarvoor zoo betaald zult worden, dat je je moeder kunt helpen.” „Dat is edel van u,” zei Hans oprecht.
„En je moet natuurlijk ook zelf je een beetje royaal kunnen bewegen. Want jij bent niet iemand om vroolijk en opgewekt te kunnen leeren, als jij je niet ruim bewegen kunt. Daarom zal ik je uit mijn kas een voorschot geven ...”
„Maar mevrouw ... ik zou geld aannemen van een vrouw.”
„Wat ben je lief, als je zulke ridderlijke uithalen doet. Ik zeg immers voorschot. Ik leen je geld, ik geef het je niet. Later, als jij een beroemd tooneelspeler zult zijn, kan je het mij teruggeven met de rente. Dan zijn wij weer quitte . . .”,