94
, Ja moeder . . . voor ’t eerst . . . niet omdat je bedroefd bent, maar omdat je mijn hooge, verheven roeping niet begrijpt . . . Moeder, ik moet tooneel-spelen ... ik voel dat ik niet anders kan . . . dat ik krankzinnig zou worden, als ik het niet zou doen . . .” „Dat heeft je die vrouw ingeprent?”
„Nee moeder ... zij heeft mij bewust gemaakt. . „Hadt je haar maar nooit ontmoet... ik voel, dat je mij bent gaan ontvallen sedert jij haar zoo dikwijls bezocht. . . Hans, zeg mij ’t eerlijk ... is jouw verhouding tot die vrouw zuiver en eerlijk en rein?”
Hij wilde ontkennen, maar miste nu den moed haar in de oogen te zien. Toen zich op eens vermannend zeide hij :
„Moederlief, laat mij mijn vrijheid in al de dingen, waarin een man vrij moet zijn . . .”
,,lk dank je, dat jij ten minste niet liegt.
„Het is verkeerd van u moeder, dat u reeds tot zoover bent gegaan. En uw afschuw van het tooneel is dwaas. Ik zeg dwaas, maar tegen elk ander dan u, zou ik een geheel ander woord kiezen. Want als tooneelspelers harlekijns zijn, dan zouden alle groote dichters Shakespeare, Goethe, Schiller, Vondel voor de harlekijns hebben gedacht en geschreven”.
* * *
Langzamerhand had de moeder zich verzoend met de gedachte, dat haar zoon tooneelspeler zou worden.