96
„Hoe edel bent ó. Ja. . . ik zal een groot, een beroemd tooneelspeler worden, de grootste van mijn tijd, de grootste van alle tijden ... en dan zult u met mij in een gouden karos gelijk een godin naast mij rijden . . .”
„Je bent prachtig zoo . . . Hier heb je nu vast twee honderd gulden”.
Hij zag, hoe zij de twee bankbiljetten uit een groote, ouderwetsche beugeltasch, met een landschap van gekleurde kralen op een fond van kobalt blauwe kralen haalde en terwijl zij het geld hem overreikte, leefde hij in dat landschap op de beugeltasch in kralen geborduurd, bleef haar in gedachten verzonken aanstaren, met de beide bankbiljetten in zijn hand.
„Waaraan denk je?” vroeg zij, zoodra hij het geld had aangenomen, vertrouwelijk wordend.
Hij schrikte uit zijn fantaisie-wandeling op.
„Ik dacht aan die voorstelling op uw mooie tasch .. . en ik verbeeldde mij, hoe aardig een tooneel zou zijn, dat zulk een kraaltjes-beurslandschap zou voorstellen.”
„Je bent toch altoos den echten artist. Ik dacht, dat je met dat geld verheugd zou zijn en op’t zelfde oogenblik, dat ik het je in de handen geef, ben je aan ’t fantaiseeren op mijn antieke tasch . . . Fantaseer je nooit over de eigenares van de tasch . . . over mij ?”
Zij keek hem met haar ronde oogen smeekend aan. Hij, verteederd door ’t geld, nu denkend aan de heerlijkheid van dat geld voor moeder, gevleid door haar woorden, gaf toe aan haar stille uitnoodiging naast haar op den divan te komen zitten.
„Ik fantaiseer ook over u,” zeide hij.