„Je moet me begrijpen, moeder, zooals je al zooveel in mij begrepen hebt.”
,,Ja maar jongelief. . . . het is zoo ongedacht. Jij, een Wentinck, tooneelspeler . . . .”
,,Het is een kunst zoogoed als schrijven of muziek-maken of schilderen.”
,,Het is een kunst als die andere .... maar bij die andere kunsten blijft je lichaam onaangeroerd Als ik er aan denk, dat jij je zult moeten gaan maquilleeren, pruiken gaan dragen en snorren en baarden .... dat jij je zult moeten gaan verkleeden... jij mijn Hans, een harlekijn .... een har-le-kijn . . .”
Zij begon opeens hartstochtelijk te snikken. Hans knielde bij haar neder, sprak zachte troostwoordjes, gaf vleinaampjes en liefkoozingen. Maar haar smart overweldigde haar volkomen en telkens weer zeide zij, door snikken onverbroken .... Jij ... . Hans. . . . mijn .... Hans . .. ., een .... har .... har.... Ie ....
kÜn- • • •”
Hij wachtte gelaten tot zij weder wat bedaarde, schonk op ’t buffet een glas water uit de karaft, bracht haar het glas, liet haar drinken.
,,Ik heb je wel veel verdriet gedaan met mijn uitval, Hansje?” vroeg ze, naar hem opziende.