91
avond zullen ze van spijt en nijd vergaan, nu ze mijn nieuwen vriend zien . . . . U moet het voorstel van mijn man aannemen. U heeft vanavond veel mooier gelezen, dan Possart, ik bedoel technich niet zoo knap maar met veel meer echt tooneelbloed.”
Zij sprak druk met hem, nu en dan in de zaal oogend om te zien of het wel door de menschen werd opgemerkt. Ze schrikte, teen haar man terugkwam.
„Kalmpjes aan Martine, je maakt je weer veel te druk vanavond,” zeide hij vermanend. En nadat hij weer was gaan zitten, „Heb je ’t gezien, Martine. De hcele bende van De Nieuwe Gids is er, Kloos, Ver-wey, Witsen, Paap en Thym
„Ja, hoe vindt je het, Kareltje Thym ook .... Dat is de aanvoerder van allemaal. Ik zei mijnheer Wen-tinek al, dat het goed zou zijn, als hij zich in hun kring zou laten introduceeren.”
„Ik denk, dat ze hem aardig van de goede wijs zouden afbrengen. Want ze slaan door, die nieuwe lichters!” En terwijl den Tiel lachte, alsof hij iets bijzonder geestigs had gezegd, voelde Hans, dat mevrouw haar voet op zijn voet zettend, hem een drukje van verstandhouding gaf.
Het scherm ging weer op. Mevrouw den Tiel schikte zich onmerkbaar tegen Hans aan en Hans had een gevoel van weerzin en van welbehagelijkheid tegelijkertijd. Zoodra hij weder in het spel was, dacht hij niet meer aan haar, opgenomen in de fantaisie, luisterend naar de paradoxen varr Mephisto, de sofismen van Faust. Toen in de waanzin scène van Gretchen, mevrouw den Tiel zich te dicht tegen hem aandrong, week hij zachtjes terzijde uit, maar zonder bewustheid.