go
Want zij hebben lief met dubbele liefde .... met de liefde voor hun minnaar en met den haat tegen hun man.”
Hij dacht opeens aan zijn moeder en aan haar liefde voor zijn vader.
,,Moet dan een getrouwde vrouw per se haar man haten?”
„Per se, per se, per se .... want twee menschen, die altoos samen zijn in de scheeve verhouding van den sterke en de zwakke, van den grove en de fijne, moeten op den duur elkaar leeren haten. Dat zeg ik in ’talgemeen hoor. Ik zelve haat den Tiel niet. . . . dat mag ik niet zeggen, dat ik hem haat. Maar liefhebben kan ik hem niet meer .... al sedert lang niet meer .... sedert hij mij getrouwd heeft. Is dat niet vreemd, dat ik hem sedert hij mij getrouwd heeft, niet meer goed kan zetten. Wij haten elkaar niet .... o neen .... maar wij verdragen eikaar .... Dat komt misschien omdat ik vroeger niet alleen de zwakste, maar ook de afhankelijke was. Door ons huwelijk is die afhankelijkheid nu opgeheven . . . . U weet toch zeker wel, dat ik vroeger zijn maitresse ben geweest?”
„Neen, daar weet ik niets van .... en ik stel er ook geen belang in.”
„Is dat heusch waar? Kom — ’t is anders een publiek geheim in Amsterdam. De heele wereld weet het en al de burgervrouwen, die net als de Halle-mannetjes van Multatuli zoo bijzonder fatsoenlijk zijn geweest, hebben me dat willen doen voelen, dat ze het wisten. Maar ik maal er niet om. Ze zien mij hier lekker toch als mevrouw den Tiel zitten en van-