88
Zoodra den Tiel weg was, begon mevrouw druk met Hans te spreken. Zij vond het heerlijk, dat de kennissen in de zaal zagen, wat voor knappe, jongen man met haar flirtte.
Opeens kneep zij Hans in den arm.
,,Daar heb je hem, daar heb je hem . . . Zie je dat jongmensch met die roodsatijnen das, die nu net binnenkomt... in de loge schuin ... ja nu zie je hem . . . Dat is Kareltje Thijm, de zoon van den ouden Alberdingk Thijm van de Groene. En die daar naast hem . . . dat is Frederik van Eeden . . . een student in de medicijnen, ook een genie, die hypnoti-seeren ken ... Je moet met die jongelui vriendschap trachten te sluiten. Dat zijn menschen, die de wereld zullen hervormen . . . Kareltje schrijft in de Amsterdammer . . . Lees je dat blad ? Ik ben er dol op . . . het geeft altoos zooveel nieuws uit de kunstwereld, ’t Is heel wat anders dan dat saaie Droogstoppel Handelsblad . . . Die Amsterdammer wordt door een zekere de Koo geredigeerd. Die man is vroeger dominéé geweest. . . ’t Zal het domineetje van jewelste zijn geweest... Ze zijn allemaal doodsbenauwd voor zijn pen in Amsterdam ... hij zegt ze het allemaal maar eventjes waar ’t op staat. . .
Hij moet rood zijn bij ’t sociale af. . .”
Terwijl zij zoo sprak zat zij dicht op hem, liet de geur van haar lichaam, warm in de volle zaal met het vele gaslicht, om hem heen wademen. Hij voelde neiging om zich van haar af te wenden, want de geur herinnerde hem weer telkens aan den reuk van honden, maar hij durfde niet goed. ,
Zij liet het foudraal van haar kijker tusschen hem