„Mag ik uw plaats ruilen met de mijne?” vroeg’ Hans haar voorkomend.
Hij zag, dat een grim schaduwde langs haar mondhoeken.
,,Dan zou u in stede van Faust, een pilaar zien, mijnheer Wentinck en daartoe hebben wij u niet uitgenoodigd. Neen Albert, ga jij op mijn plaats zitten. Jij hebt er toch niet veel aan”.
,,Goed, goed . . .” zei hij wat gram. Maar hij stond op en toen mevrouw zich op zijn plaats naast Hans zette, zag hij weder den zweem van een glimlach op haar gelaat.
De muziek hield op.
„Goddank!” zuchtte de notaris. „Dat is een zoodje daar in ’t orkest...”
Er werden drie slagen gegeven. Het roode scherm ging op en Faust als grijsaard in zijn studeervertrek begon zijn alleenspraak:
Habe ja nun Philosophie,
Juristerei und Medizin
Und leider auch Theologie . . .
Hans luisterde in de nu doodstille zaal met volle aandacht, met geheele overgave. Zijn oor ving de Duitsche klanken op en hij vertaalde ze in ’t Neder-landsch. Maar spoedig lette hij er niet meer op dat hij Duitsch hoorde. Hij was geheel opgegaan in de handeling, hij dronk de woorden in, hij voelde de woorden als lichamelijke dingen, hij zag de woorden. Het was een inslurpen van woord en gedachte en hij voelde zich in de tooneelisten leven, sprak werktuigelijk de woorden mee, leefde met hen de toestanden mede.