Nauwelijks zaten zij in het Grand Théatre in een zij loge, toen de muziek met de ,,Türkische Schaar-wache” inzette. Hans keek in de volle zaal en vond het vroolijk, keek opgetogen den Tiel aan. Maar den Tiel keek strak.
,,Dat maakt je vroolijk?” vroeg mevrouw den Tiel, langs haar man heen. Want den Tiel had hem rechts van zijne rechterzijde doen plaats nemen.
,,Het herinnert mij aan ons muziekcorpsje te Willemsoord.”
,.Ik vind het ergerlijk”, zeide den Tiel op goed-moedigen toon; ,,dat is nu de muzikale inleiding tot een klassieke tragédie. Het lijkt wel de parade voor een tent van Blanus”.
„Den Tiel is zeer muzikaal”, onderrichtte zijn vrouw.
„Geweest, geweest, geweest”, zei de notaris afwerend.
„Dat is alles werk voor je jonge jaren. Als je zooals ik, langzamerhand alles hebt gehad en alles hebt gekregen, wat je in de wereld gewenscht hebt, dan gaan je liefhebberijen weg.”
„Albert”, zei mevrouw, en ’t was voor ’t eerst dat Hans heur haar man bij zijn naam hoorde noemen, „lieve, ik zit hier slecht. Ik zie net tegen de pilaar aan”.