79
gedachtensfeer van een anderen man te komen en nog moeielijker om in die van een vrouw mij in te denken. Iets anders is het, dat ik in mij soms verschillende personen voel, menschen, die ik nooit gekend heb en die in mij gestalten aannemen ...”
„Zei ik het niet. U bent artist, u bent voor het tooneel geboren. Daar kunt u dan die gestalten van uw innerlijk uitleven. Maar daar zullen wij vanavond wel eens over spreken . . . Het is etenstijd.”
Zij gingen naar de eetkamer, die gelijkvloers lag en aan den tuin grensde. De kamer was in Holland-sche renaissance gemeubeld. Op de tafel stonden in twee kristallen vazen ruikers met chrysanten.
Zij namen plaats en het dienstmeisje bediende. Hans voelde zich rustig en gelukkig in deze deftigheid en hij bewoog zich vrij en gemakkelijk. Het was hem alsof hij aan een disch zat in een kamer, die zijn eigendom was, waar hij vroeger op precies dezelfde wijze, zoo gezeten had.
„Zou Kareltje Thym vanavond ook in de zaal zijn?” vroeg mevrouw.
„Dat kwibusje schijnt indruk op je gemaakt te hebben?”
„Het is geen kwibus, het is een geniale jongen. Je zult zien, die zal de heele nieuwe richting lancee-ren. Kent u zijn brochure „Over litteratuur”, mijnheer Wentinck?”
„Neen mevrouw, ik moet u tot mijn spijt zeggen, dat ik op Willemsoord niet zoo heel veel moderne litteratuur kon lezen.”
„Dan moet u uw schade maar bij ons komen inhalen.”