8o
,,Dat heb ik hem al voorgesteld, Martine. Mijn bibliotheek heb ik tot zijn beschikking gesteld.”
,,Dat is echt lief van je, echt lief. .
Zij keek hem dankbaar aan met stralende oogen. Hans bemerkte tot zijn schrik, dat hij jaloers was op die blikken van haar voor hem. En tegelijkertijd voelde hij wroeging, dat hij een nieuwen vriend, dien hij zooeven had verworven diep-in meteen belaagde, hem zijn huiselijk geluk en zijn eer ging ontnemen. En hij keek, terwijl mevrouw zich van de saus bediende, haar van terzijde aan en zag haar nu in een grijs waas en weer was het hem of niet zij maar een groote, afschuwelijke, grijze hond, een teef met afgezogen tepels, op haar stoel zat. Het was maar één oogenblik, een halve minuut misschien.
Zij keek naar hem op.
„Wilt u zich ook nog bedienen?” . . .
Hij rilde door zijn geheele lichaam, terugkeerende tot de werkelijkheid.
„Gaarne . . . dank u wel, dank u wel”, en hij bediende zich van de saus, hoewel zooeven toen het dienstmeisje nevens hem stond, hij al te veel jus op zijn bord had genomen.
Nadat het diner geëindigd was, werd in het boudoir van mevrouw koffie gedronken en een cigarette gerookt.
„Dit is mijn pruilhokje” zeide zij, een gordijn van kralen wegschuivende. Het was een kleine kamer, versierd met Japansche prenten en waaiers. Er stonden kleine Japansche meubels, zwart gelakt met paarlemoer ingelegd. In een hoek stond een groot Japansche vaas met een Macquart bouquet er in. Er waren langs