78
langen naar heur lichaam. Zij merkte dadelijk den indruk, dien zij op hem maakte, maar deed alsof zij het niet wist, ging op haar man toe, drukte zijn hoofd even aan haar borst en gaf tegelijkertijd een winkertje aan Hans.
„Wat ben je bijzonder teeder van middag”, zei de notaris schertsend en gaf meteen nu ook Hans een knipoogje.
„Waarover spraken jelui zoo druk?”
„Over het tooneel. Maar wij waren net op een dood punt. Ik zei, dat Zola misschien wel gelijk heeft als hij het tooneel. ...”
„Maar manlief, je vergeet dat mijnheer Wentinck nog niet den leeftijd heeft om over Zola te spreken.”
„Wat hij van hem gelezen heeft is anders precies, wat jongelui doorgaans ongelezen laten . . . „de Contes a Ninon” en „Au bonheur des dames”. . .
„De Contes” ken ik ook niet. Maar „Au bonheur” vind ik een prachtig boek. Wat moet zoo’n man als Zola toch goed de vrouw kennen. Ik zou wel eens willen weten, hoe het er in ’t hoofd van zoo’n schrijver uitziet. Hoe weet een man, wat in een vrouw omgaat?”
„Hoe weet een vrouw, wat in een man omgaat?”
„Dat weten wij ook niet. Wij weten iets van jelui, maar alleen genoeg om jelui zwakheden en ijdelheden te pakken. Als wij de mannen door en door kenden, zou het ons niet zooveel moeite kosten er een aan ons te verbinden en vooral aan ons geboeid te houden. En wat denkt u ervan, mijnheer Wentinck?”
„Ik heb daar nog maar weinig over nagedacht, mevrouw. Maar het is voor mij moeilijk om in den