74
wat waarschijnlijk is. Want ik heb er een voorgevoel van, dat ik vroeg zal sterven ...”
De notaris was al weder gekalmeerd.
,,Ik heb mij misschien aan een onbeleefdheid schuldig gemaakt jegens u, mijnheer Wentinck. Ik bedoelde niet te zeggen, dat ik niet gaarne zou hebben, dat u vanmiddag onzen gast waart... Ik ken uwe familie heel goed. Is Daan Wentinck, de Indischman, niet uw oom?”
,,U bedoelt mijn oom Wentinck, den oud-controleur ?”
,,Ja juist. . . zoo zijn de Indische Wentinck's uw naaste familie . . . dan verwondert het mij toch, dat ze u met boeken laten colporteeren ...”
,,Ik geloof mijnheer den Tiel, dat elk vak, eervol uit^eoefend. eervol is ...”
o
,,Zeker, zeker . . . maar . . .”
,,En het is toch eervoller zijn eigen brood te verdienen, dan de hand op te houden . . .”
„Wanneer u zoo spreekt, valt ons voorstel niet in goede aarde”, meende mevrouw.
Hans keek verwonderd.
,Ja, mijn vrouw en ik waren van plan u, met het oog op uw talent en uw toekomst, voor te stellen de kosten van uw opleiding tot tooneelspeler te dragen.”
Hans verbleekte. Hij voelde dat woord tooneelspeler als een schimpwoord, als iets smadelijks. Maar tegelijkertijd voelde hij zich er toe besluiten het te worden, met een duizeling, een zich verzinken, zooals hij zich gevoeld zou hebben in een droom als hij in een afgrond viel of wanneer hij op een schommel zwaaide bij ’t van groote hoogte neerzwieren.
„Dus ik zou too - neel - spe - Ier moeten worden?”