73
Het is wel Duitsch en dat versta ik maar zoo zoo, maar ik ken den Faust in ten Kate’s vertaling bijna geheel uit het hoofd en dat is voldoende . . . kent u den Faust?”
Hans kleurde.
,,Het spijt mij mevrouw ... de wiskunde eischte zooveel ...”
„En heeft u dan op de Hoogere Burgerschool nooit van Goethe gehoord ?. .”
,.Zeker . . . wel van Goethe mevrouw . . . maar wij lazen daar Dickens en Schiller. Aan Goethe kwamen wij niet toe, dat jaar en voor ’t eindexamen mochten wij zelf het Duitsche klassieke werk opgeven, dat wij hadden gelezen.”
„En welk werk koos u ?'1 vroeg zij verder.
„Die Raüber . . .”
„Dacht ik het niet.”
Zij glimlachte tot haar man, het eerste blijk van verstandhouding tusschen haar en heur man, dat Hans opmerkte.
„Wanneer u bij ons zoudt willen blijven dineeren, dan konden wij nu samen de Faust eens doornemen . . .”
„Dan ga ik er van tusschen zoolang . . .” zei de notaris.
„O ja . . . en vanavond zal je zeker weer over je eeleerae rechtsvervvikkelintren zitten soezen ... Ik ben nieuwsgierig naar het testament, dat jij eens voor mij zult opstellen . . .”
Even een snelle, toornige blik van den notaris. Zij gaf een onmerkbaar wenkertje van verstandhouding aan Hans en zei dadelijk sussend :
,, . . . over honderd jaar, als jij niet na mij sterft,