72
Hans blikte haar eenigszins verwonderd aan. Zij zag hem strak aan, wenkte hem met de oogen, dat hij toestemmen zou. Hans knikte toestemmend en in hem dacht het meteen: „Wat heeft zij ronde honde-oogen.” En terwijl de notaris sprak en hij luisterde, zag hij haar meteen of zag die andere in hem haar meteen als een bruinen hond, eengrooten, bruinen hond, zoo sterk was die verbeelding, dat hij, toen zij voor hem een kop thee inschonk, verwonderd was over de blankheid van haar mollig, rond, huishoudster-handje en dat kijken naar die hand hem eerst verloste van het tweede gezicht van dien hond. Nu ook drong de zin van de woorden, die de notaris tot hem gezegd had, eerst tot hem door.
,,U bedenkt u zoo lang . . . Zulk een aanbod wordt niet elk jongmensch, zelfs met talent, gedaan, mijnheer Wentinck.”
„Ik zou het met beide handen aannemen”, voegde mevrouw er aan toe. „Alles wat u anders zoudt doen, is verkeerd. U bent voor het tooneel geboren en u kunt en moogt niets anders doen . . .”
„Ik heb no^ zoo weinig tooneelstukken gezien . . .
11 o o o
ik heb nog niet voldoende nagedacht...”
„Als u nu eens vanavond met ons medeging naar een schouwburg. Heeft u daar pleizier in ? Wij zijn in langen tijd niet naar de comedie geweest en wij mogen alle drie wel eens een verzetje hebben na dat misverstand van vanmorgen . . .”
„Ik dacht, dat wij dat chapiter, niet meer zouden aanroeren, Martine.”
„Goed, goed, goed”, zei ze haastig. „Wij treffen het vanavond. Possart treedt bij van Lier op in Faust.